Het vergeten Amsterdamse jaar van Dusty Springfield


Het is even na tienen als Dusty Springfield met een pakje sigaretten en een cola light aanbelt bij haar huiseigenaar. Ze is nerveus en weet niet zo goed wat ze van de avond moet verwachten. Een uur geleden nog heeft ze afgezegd, en gelogen dat ze hoofdpijn had. Nu loopt ze dan toch achter hem aan naar de woonkamer, waar Miep Gies en haar man zitten te wachten. De eigenaar van het pand heeft zich goed voorbereid, hij heeft twee videobanden klaargelegd: een met de film The Attic: The Hiding of Anne Frank – met Mary Steenburgen als Miep Gies – en een met de registratie van Dusty’s concert in de Royal Albert Hall. Het duurt niet lang of Dusty nestelt zich op de vloer, vlakbij de stoel waar Miep Gies zit, en samen kijken ze naar het scherm waarop zich hun beider levens ontvouwen.

Het is een surrealistisch tafereel. De ontegenzeggelijk beste Engelse soulzangeres van de vorige eeuw en de verzetsvrouw die het dagboek van Anne Frank redde, brengen een genoeglijke avond met elkaar door in een Amsterdams grachtenpand in 1989. Ik zou het niet bedacht, en al helemaal niet geloofd hebben als ik niet net het boek Dusty – An Intimate Portrait of a Musical Legend had gelezen, de biografie die journalist Karen Bartlett (The Times, The Guardian) onlangs publiceerde. Ik wist dat Nina Simone in Nijmegen en in Amsterdam had gewoond in diezelfde late jaren tachtig, ik wist dat Marvin Gaye aan het begin van dat decennium zijn toevlucht had gezocht in Oostende, maar dat Dusty Springfield een jaar in Amsterdam heeft gewoond was nieuw voor me.

Bartlett spendeert er niet heel veel woorden aan. Ze schrijft dat het jaar in Nederland de zangeres de ruimte en anonimiteit bood om haar recente verleden te verwerken en te besluiten wat ze in de toekomst wilde doen. Het beeld dat ze schetst is dat van een kettingrokende vrouw met twee katten die over de grachten van regenachtig Amsterdam tuurt en onderwijl naar Tsjaikovski luistert. Ze voert de eigenaar van het appartement aan de Herengracht op, met wie Dusty indertijd bevriend raakte: Pieter van der Zwan.

Om meer te weten te komen van deze onbekende Amsterdamse tijd van Dusty Springfield zoek ik contact met hem. Vanuit zijn winterverblijf in Spanje stelt hij voor dat hij me eerst het epistel stuurt dat hij over zijn vriendschap met de zangeres heeft geschreven, en dat hij eerder ook aan Bartlett stuurde. ‘Als je dan nog vragen hebt, hoor ik het wel.’ Hoewel het een goed geschreven stuk is dat soms heel gedetailleerd de ontmoetingen met Dusty beschrijft, doemen er ook nieuwe vragen op. Onderstaand verhaal is zowel gebaseerd op Van der Zwans stuk, als op zijn antwoorden op mijn vragen.

 

Restauratie-architect en interieur-ontwerper Pieter van der Zwan kocht Herengracht 125 in het voorjaar van 1987 samen met zijn toenmalige partner, tv-producer Edwin Prins. Het pand, dat in slechte staat verkeerde, was rond 1635 gebouwd voor Frans Banning Kok, de kapitein van het schuttersvendel van de Kloveniersdoelen dat door Rembrandt in De Nachtwacht werd vereeuwigd. Van der Zwan en zijn partner renoveerden het pand en richtten er vijf appartementen in. Zelf betrokken ze het appartement met de binnenplaats. Hun penthouse aan de Nieuwezijds Voorburgwal verkochten ze aan Nancy Fox-Martin, een Newyorkse vriendin die al enige tijd in Amsterdam woonde en onder meer model was geweest voor Harry Winston.

‘Op een Herengracht 125avond zaten we wat bij Nancy te drinken toen de telefoon ging. Toen ze de telefoon neerlegde praatte ze er eerst niet over, maar na een uur vroeg ze ons: ‘Hebben jullie ooit gehoord van Dusty Springfield?’ Nancy was een enorme jazz-liefhebber, popmuziek was onbekend terrein voor haar. Ze had me net zo goed kunnen vragen of ik ooit had gehoord van de Koningin van Engeland. Dusty had haar gebeld voor een kennismakingsgesprekje. Als je een trouwe bezoeker van AA-bijeenkomsten bent en op reis gaat dan kun je, om verleidingen de kop in te drukken, adressen krijgen van AA’ers in de stad die je in een gesprek kunnen helpen je op andere gedachten te brengen. In dit geval was dat Nancy Fox-Martin, geboren Verkuyl. Nancy, een weduwe, was de dochter van Nederlandse ouders, die al voor haar geboorte naar New York waren verhuisd.’

‘Nancy en Dusty raakten bevriend, hun gevoel voor humor kwam goed overeen. Ik denk dat Dusty zich overigens ook een beetje geïntimideerd voelde door Nancy, die een zo mogelijk nóg scherper en camp-achtiger gevoel voor humor had dan zij. Verder dan dat ging het niet, het was zeker geen affaire. Niet lang daarna nodigde ik Nancy uit om te komen eten en zij stelde voor om Dusty mee te nemen. Het eerste teken van hun aankomst was een speelgoeddier dat voor het raam over het kozijn bewoog van links naar rechts. Dusty had gewinkeld en de twee dames waren in een vrolijke bui. De aanwezigheid van onze twee katten hielp het ijs verder te breken, het was onmiddellijk duidelijk dat Dusty een grote kattenliefhebber was. In de periode die volgde zagen we elkaar ongeveer wekelijks.’

Achterhuis

Dusty woonde op steenworp afstand, in een appartement dat uitkeek op het bijgebouw van Het Achterhuis. Tussen de twee huizen in stond de witte paardenkastanje waarover Anne Frank in haar dagboek schrijft, en waarover nog eens twee decennia later juridische strijd zou worden geleverd, niet lang voor de boom bij een stevige storm uiteindelijk zou omwaaien. Hoewel de woning – ‘het moet Keizersgracht 192 of 194 zijn geweest’ – mooi was ingericht had het iets deprimerends, herinnert Van der Zwan zich. ‘Een deel van de lol van wonen in de grachtengordel is dat je over het water kunt uitkijken. Maar dat kon ze hier niet, haar appartement zat aan de achterzijde. Wel had ze toegang tot een tuin, iets wat ze aantrekkelijk vond voor haar katten.’

Het is aan diezelfde twee katten, Nicholas en Malaysia geheten, te danken dat Dusty Springfield zich eind 1988 in Amsterdam vestigde. Marvin Gaye week uit naar Oostende om af te kicken en er in alle rust aan een comeback te werken, Nina Simone kwam in Nijmegen weer op krachten na een turbulente tijd maar Dusty Springfield had een veel prozaïscher reden om Los Angeles te verruilen voor Amsterdam. Ze wilde terug naar Engeland, maar door zich in Amsterdam te vestigen ontweek ze de strenge Britse invoerregels voor huisdieren. De katten hoefden zo geen half jaar in quarantaine, en vanuit Amsterdam was maar een uurtje vliegen naar Londen.

Dusty heeft niet lang in het appartement bij het Achterhuis gewoond. Toen een stel huurders vertrok aan de Herengracht stelde Nancy voor dat Dusty het vrijkomende appartement zou betrekken. Half februari 1989 arriveerde ze met de katten en vijf of zes zware koffers. Van der Zwan: ‘Hoewel ze het goed kon vinden met Edwin, vond ze het vooral fijn om te merken dat ik dezelfde vreemde dagindeling aanhield als zij. Ik stond laat op en ging niet voor drie, vier uur ’s nachts naar bed. ‘Pieter, you and I are not civilians,’ zei ze een keer tegen me. Vanaf de binnenplaats kon ik zien of ze nog wakker was. Vanaf dat moment werd het contact regelmatiger. Soms had ik haar wel vier of vijf keer per dag aan de telefoon, over alledaagse dingen. Ze ging zich steeds ontspannener gedragen. Ik vermoed dat het ermee te maken dat dat haar carrière weer op gang was gekomen. Soms ging ik naar boven voor koffie, soms kwam ze ons beneden bezoeken, vaak hingen we aan de telefoon.’

Dusty Springfield en Pieter van der Zwan in Amsterdam, 1989.Door het frequente contact kregen de gesprekken tussen Van der Zwan en Dusty al snel een huiselijk karakter. ‘Als je voortdurend met elkaar aan de telefoon hangt duurt het niet lang of het gesprek gaat erover dat een van de katten op de trap heeft gekotst of iets dergelijks. Dat neemt niet weg dat we ook spraken over wederzijdse familie, vrienden, de psyche in het algemeen en die van onszelf in het bijzonder. Over muziek spraken we alleen voor zover mij dat interesseerde. Opnamen en voorvalletjes in de studio, het feit dat ze zo dankbaar en blij was met de hulp die allerlei collega’s aanboden. Michael Jackson had haar een keer gebeld. Toen ze die stem door de telefoon hoorde – ‘Hi, Dusty’ – had ze eerst gedacht dat het een vriend was, die een grap uithaalde. Ik herinner me wel dat ik haar gevraagd heb waarom ze niet meer optrad. Een combinatie van plankenkoorts, eigenlijk angst voor fans, en de vrees een artiest te worden met alleen oud repertoire. Haar manager Vicky Wickham vertelde me ooit dat ze Dusty elke dag zou kunnen boeken als ze het chique nachtclubcircuit in zou gaan. Bij de gedachte alleen al huiverde Dusty. ‘Vicky wants to sell me off,’ zei ze letterlijk.’

Diners waren ingewikkeld. Een belangrijk deel van de ongemakkelijkheid had, denkt Van der Zwan, te maken met het feit dat Dusty niet wilde drinken. ‘Omdat ze vastbesloten was dat alcohol haar leven niet opnieuw zou ruïneren probeerde ze situaties te vermijden waarin anderen dronken. Gedeeltelijk om niet in de verleiding te komen, maar ook omdat mensen die drinken saai gezelschap zijn voor iemand die nuchter wil blijven. Ze zei altijd dat haar aandachtsspanne korter was sinds ze gestopt was met drinken. Ze nam altijd haar eigen sigaretten mee en een fles cola light.’

Onzekerheid

Wie Karen Bartletts Dusty leest weet welke turbulente tijd er aan Amsterdam voorafging. Het boek vertelt het verhaal van Mary O’Brien die ‘Dusty’ wordt, in Engeland in het pre-Beatles-tijdperk grote successen boekt met het folktrio The Springfields en dan totaal bevangen raakt door soulmuziek. Bartlett beschrijft mooi hoe Dusty Springfield op een avond uit de speakers van The Colony Music Store op Times Square Tell Him van The Exciters hoort en weet: dat wil ik ook. Een paar jaar later hoort ze Dionne Warwick op de radio met Don’t Make Me Over en wat ze voelt, daar op de rand van haar bed in een hotelkamer, is jaloezie, want er is al iemand die doet wat zij wil doen. En hoe!

Die onzekerheid, deels versterkt door het besef dat zij anders dan haar zwarte heldinnen niet is grootgebracht in een gospelkoor, blijft haar haar hele verdere carrière teisteren. Ze compenseert het ruimschoots door met veel succes de Motownstal te pluggen in Engeland en zelf uit te groeien tot een grote ster met een lange reeks hitsingles, óók aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.

Maar als Aretha Franklin ‘haar’ Son of a Preacher Man opneemt, een van de nummers waarmee Dusty een grote hit scoorde, hoort ze het direct: zo moet het! Zo had ik het moeten doen! Op live-opnamen kun je horen dat ze vanaf dat moment de intonatie van Aretha gebruikt. Zelf waagt ze zich, tijdens radio-sessies, soms aan de songs die haar heldinnen groot hebben gemaakt (I Say a Little Prayer, Natural Woman, Reflections) en hoewel de geluidskwaliteit van de teruggevonden opnamen te wensen overlaat hoor je heel goed dat die versies bepaald niet onderdoen voor de originelen. Sailliant detail dat de biografie onvermeld laat: songschrijvers Ashford & Simpson lieten de klassieker Ain’t No Mountain High Enough allereerst aan Dusty horen, maar trokken hun aanbod terug toen ze zich realiseerden dat dat liedje wel eens hun entree bij Motown zou kunnen worden. Het bleek inderdaad hun gouden ei.

Als Dusty in 1968 naar de soulstudio in Memphis vertrekt om te beginnen aan de opnamen voor de plaat die haar onbetwiste meesterwerk zou worden (Dusty in Memphis), raakt ze totaal in paniek. Daar staat ze dan, tussen al die doorgewinterde soulmuzikanten, op de plek waar Aretha Franklin en Wilson Pickett hun grootste successen inzongen. Ze is het totaal niet gewend om live met zo’n grote groep muzikanten in de studio te werken, en zet het op een vluchten. Atlantic-baas Jerry Wexler besluit zijn werkwijze voor een keer aan te passen, hij neemt de ritme- en blazerssectie en de achtergrondzang van The Sweet Inspirations in Memphis op en reist Dusty met de tapes achterna naar New York, waar ze alsnog haar zangpartijen toevoegt. Dusty in Memphis is dus voor een belangrijk deel in New York opgenomen.

Indertijd nauwelijks een commercieel succes te noemen, is het een plaat die meer dan 45 jaar na verschijning nog altijd overweldigt. Dusty Springfield kent haar gelijke niet. Ze had, anders dan veel van de door haar bewonderde soulsisters met hun in gospel gedrenkte vocalen, een verheven stem die devotie afdwingt. Zijdezacht en bedwelmend, melancholiek en toegewijd. Zelfs in het meest vrolijke nummer is er altijd die tragische onderlaag, die even wonderschoon als ongrijpbaar is. Ze is de moeder-overste van de Britse soulcongregatie die zich een leven lang wil meten met haar overzeese zusters, maar zonder dat ze het in de gaten heeft zelf inmiddels een onevenaarbaar en onbereikbaar ideaal vertegenwoordigt.

Wie Karen Bartletts Dusty leest, maakt na de gloriedagen in de jaren zestig ook de ogenschijnlijk onvermijdelijke en pijnlijke neergang van de zangeres mee. Geteisterd als ze wordt door demonen uit het verleden – een betrekkelijk liefdeloze jeugd in een streng-katholieke omgeving – maar vooral door de nooit aflatende worsteling met het verborgen houden van haar homoseksualiteit, lonken de fles wodka, de pillen en de automutilatie gaandeweg de jaren zeventig steeds meer. Haar relaties met vrouwen lopen keer op keer stuk en eindigen niet zelden in gewelddadigheden. Na een reeks zelfmoordpogingen wordt ze een tijd opgenomen in een psychiatrische kliniek. Het is pas medio jaren tachtig, met dank aan de hit What Have I Done To Deserve This (met The Pet Shop Boys) dat Dusty Springfield het gevoel krijgt dat ze haar leven weer een beetje op de rails krijgt. In Los Angeles bezoekt ze AA-bijeenkomsten, iets waar ze in Amsterdam mee stopt. Maar het herstel is in Amsterdam nog broos. Het was nog maar kortgeleden dat ze in Amerika haar geld bijeen sprokkelde door haar eigen oude hits te mimen.

Van der Zwan: ‘Ik weet dat het een populaire visie is om al haar psychische problemen toe te schrijven aan haar homoseksualiteit en ik geloof er helemaal niks van. Die worsteling met een coming out zal haar waarschijnlijk geen goed hebben gedaan, maar er ligt volgens mij iets heel iets anders aan ten grondslag. Volgens mij heeft dat getormenteerde, driftige en onmatige er altijd ingezeten. Ze heeft tegen mij wel eens uitspraken gedaan over de slechte verhouding in haar jeugd met haar ouders, althans hoe ze daarover dacht toen ze een jaar of twintig, dertig was. We hadden in onze achtergrond veel overeenkomsten, zoals een moeder met onvervulde dromen. Ze vertelde uitgebreid hoe lastig ze als kind was geweest. Omdat ik het woord ‘tantrum’ niet kende deed ze er eentje voor. Ze gilde, krijste en greep zich vast aan de radiatorpijpen om zich te branden. Verslaving en zelfverminking lagen daarna alleen nog maar in het verlengde. Dat haar homoseksualiteit daar misschien nog een schepje bovenop heeft gedaan wil ik best geloven, maar ik denk dat ze vooral iemand was die maar door bleef denderen met al die geestelijke en misschien ook wel neurologische stoornissen, zonder dat daar eens even flink aan gesleuteld was met medicatie en een goede therapeut.’

Bloemkool en vanille-ijs

Dusty Springfield maakt een grachtenvaart in Amsterdam met regisseur Cyril Frankel en zijn vriend Steve Nelson. Foto: Pieter van der Zwan.Voor zover Van der Zwan weet, was Dusty in haar Amsterdamse jaar weinig uithuizig. Uitgaan deed ze niet. Wel ontving ze regelmatig Engelse vrienden, onder wie Pat Barnett, wier 16-jarige zoon ze rondleidde over de Wallen, en Madeline Bell, de zangeres met wie ze in de jaren zestig had samengewoond.

‘De kleine groep om Dusty heen, die ze als familie zag, was heel trouw,’ zegt Van der Zwan. ‘Nu, jaren na haar overlijden, is die groep nog steeds even hecht. Met haar manager Vicky en haar partner Nona Hendryx heb ik ook nog altijd contact. Met zanger Simon Bell was in die tijd ook geregeld contact, mede doordat ze hem soms vroeg om op de katten te passen.’

Van der Zwan herinnert zich hoe verlegen Dusty kon zijn in gezelschap van onbekenden. Op zeker moment liet ze hem een opname zien van een optreden waarbij na afloop het publiek haar probeerde aan te raken. ‘De beveiliging was niet alert genoeg geweest. Zoiets beangstigde haar enorm.’ Voor de Londense première van Scandal, de film over de zaak-Christine Keeler waarvoor ze de titelsong had opgenomen, was ook Van der Zwan uitgenodigd. Hij herinnert zich dat ze zich op het laatste moment afmeldde onder het mom van een griepje.

Toch organiseerde hij een aantal keer een diner met gasten waarbij hij ook Dusty uitnodigde. Bij Miep en Jan Gies vroeg hij haar langs te komen omdat ze geïnteresseerd was in de geschiedenis van de familie Frank. Bij een ander diner bij Van der Zwan en Prins was Boudewijn Büch te gast, de schrijver met wie Prins als producer werkte aan zijn reisprogramma’s en voor wie Van der Zwan een immense privé-bibliotheek ontwierp. ‘Boudewijn wilde een programma maken over drie zangeressen uit de sixties: Dusty, Sandie Shaw en Mariska Veres van Shocking Blue. Ik wilde er een lang diner van maken zodat ze echt de tijd hadden om elkaar te leren kennen. Net toen ik klaar was met het bereiden van een vijfgangen-menu kwam Dusty aanzetten met twee Tupperware-bakjes met bloemkool en vanille-ijs. Dat was een van haar fameuze diëten indertijd. Na dat etentje kwamen we overeen om het voortaan maar tot koffie- en theetijden te beperken. Overigens pakte het goed uit die avond, met ons aan de vijf gangen en Dusty aan een bord met bloemkool en ijs. Het interview vond een paar weken later plaats.’

In de nachtelijke uren bood de telefoon uitkomst. In zijn mooie verhaal Sneeuwwitje in Amsterdam, opgenomen in de bundel Zapdansen, schrijft Roel Bentz van den Berg dat Dusty soms midden in de nacht belde nadat zijn vriendin haar bij Nancy thuis had ontmoet en bevriend was geraakt. Als dat gebeurde nam hij snel op. ‘In de hoop natuurlijk, dat het Dusty was en ik, al was het maar heel even – want ze vroeg altijd direct naar mijn vriendin – die stem kon horen. Die stem! Die stem, die stem, die stem’.

Echt van de stad houden ging ze niet. Pieter van der Zwan: ‘In de VS was ze gewend geraakt aan nachtelijk winkelen in grote winkels. Je kon er op je oprijlaan in je auto stappen en voor de deur van de winkel uitstappen. In Amsterdam sloten de winkels om zes uur hun deuren en voor de deur parkeren was vrijwel uitgesloten. Toen ze een nachtwinkel ontdekte, nam ze daar wel eens een taxi naartoe. Ik ben één keer mee geweest. In mijn geheugen zat ie in de buurt van de Da Costakade, maar het was niet die mooie in de De Clercqstraat. Eigenlijk was het gewoon een soort grote buurtsuper, maar ze hadden het kattenvoer, dat Dusty prefereerde. Alles bij elkaar vond ze Amsterdam prachtig maar zeer oncomfortabel.’

Niet lang na haar vijftigste verjaardag, waarop Van der Zwan en Dusty toosten met een cola light, vindt ze een woning in Engeland. Niet ver van de plek waar de katten alsnog in quarantaine zouden gaan. Eind augustus 1989 hebben Prins, Van der Zwan en Dusty een afscheidsdrankje in de binnenplaats. ‘Ze was geëmotioneerd. In de weken die volgden hadden we veel telefonisch contact. Ze was gespannen, ze vond dat Engeland veranderd was.’

In het najaar verblijft ze een paar dagen bij Prins en Van der Zwan in Amsterdam en in de daarop volgende jaren blijft Van der Zwan contact houden met haar. Hij vliegt meermaals naar Engeland om haar te zien en ze hebben geregeld contact via de telefoon. Tijdens een van die gesprekken vertelt ze hem dat er kanker bij haar is geconstateerd, een ziekte waaraan Van der Zwan inmiddels ook zijn partner Prins is verloren.

Dusty Springfield neemt in de nadagen van haar leven nog een aantal platen op en sterft in 1999, 59 jaar jong, aan de gevolgen van borstkanker. Bij de begrafenis, die hij met zijn nieuwe partner bezoekt, stelt Pieter van der Zwan tevreden vast dat ze het laatste jaar van haar leven op een mooie locatie had gewoond, met uitzicht op veel groen en schapen in de wei.

En de katten, om wie het jaar in Amsterdam eigenlijk te doen was? Malaysia werd niet lang nadat Dusty in Engeland was teruggekeerd voor de deur overreden door een auto. Nicholas overleefde Dusty. Ze had alles voor ‘m geregeld, ze had vastgelegd dat hij in het metershoge boomhuis met krabpaal zou blijven wonen dat ze in Nederland voor hem had gekocht. Ook had ze een ‘huwelijk’ met een poes voor hem gearrangeerd, zoals ze dat zelf noemde. En zo geschiedde. Nicholas ‘trouwde’ met de vijfjarige Blauwe Rus Purrdie van haar vriendin Lee Everett-Alkin, bij wie hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.

Dusty, An Intimate Portrait of a Musical Legend van Karen Bartlett verscheen bij The Robson Press.

 

© Schift, december 2014

Meer lezen over soul sisters?
Lees ook: In de kerk begon Cissy Houston, en in de kerk zal ze eindigen, Muzikale capitulatie (over Bessie Banks en Jaibi) en Niemand wilde optreden na Linda Jones.
Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur en researcher verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman, De IJzeren Eeuw). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek Echo.

2 Comments

  1. Jan
    19 december 2015
    Reply

    Dank voor dit heldere verhaal over deze grote zangeres.

  2. David
    6 december 2016
    Reply

    Prachtig!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.