Van papier lezen in een digitale wereld


Ik hou van papier en van lezen op papier. Een paar jaar geleden deden we thuis een geruime tijd over het overstappen naar de digitale krant. Ik was de tegenhoudende kracht, want ik kon me moeilijk voorstellen hoe het was een krant te lezen die niet naar een krant ruikt en niet als een krant ruist. Het gevolg van de voor mijn doen zeer radicale beslissing naar de downloadbare Volkskrant is dat ik al vanaf woensdag verlang naar zaterdagochtend, de enige ochtend met een papieren krant. Niets maakt me zo woest als de weekenden waarin de krantbode ons overslaat, een onverzoenlijke daad zonder herstelmogelijkheid, want De Perscombinatie bezorgt niet meer na.

Het is niet overdreven mijn hang aan het papieren lezen te zien als een verslaving, misschien niet een van de zwaarste soort maar hinderlijk is het wel. Mijn instinct wil dat ik alles op zijn minst uitprint wat ik lees, een milieuonvriendelijke tic waarvoor ik me gepast schaam. (Je ziet al waarom we nog steeds een don quichotiaanse strijd voeren tegen de genormeerde omvang van ons maandelijks papierafval.) Ouderwets voelt het ook, en onbuigzaam. Mens, roep ik vaak tegen mezelf, volg je tijd en hou op met dat papier. Vergeefs.

Levenshouding

Daarom veer ik elke keer van blijdschap op als ik een gelijkgestemde tegenkom. Begrijp me goed: ik juich uit ganser harte de opkomst van online longreads toe. Ik ben me er ook bewust van dat het tegenstrijdig is om in een online magazine het lof van het lezen op papier te zingen. Maar naast mijn bijna sentimentele hang aan papier zijn er meer zwaarwegende redenen voor een gedrukt tijdschrift of boek.

Zo deed Timothy Snyder, professor geschiedenis aan Yale, op zijn Facebook-pagina twintig voorstellen ‘voor het bewaren van vrijheid in onvrijheid’, lessen uit ‘de verschrikkelijke twintigste eeuw’ om ervan te leren. Het vermaarde Duitse cultuur-maatschappelijke tijdschrift Lettre International publiceerde laatst de lijst. Als negende les raadt Snyder aan dingen zelf tot op de bodem te onderzoeken, in plaats van klakkeloos aannemen wat gezegd en geschreven wordt. Snyder: ‘Besteed meer tijd voor lange artikelen. Ondersteun onderzoeksjournalistiek door abonnement te nemen op gedrukte media.’ Want: ‘Maak jezelf duidelijk dat veel wat op het beeldscherm verschijnt, je schaadt.’ Zijn tip: gebruik PropOrNot of een andere website die propaganda-aanvallen herkennen.

Kranten en tijdschriften op papier als waarborg van een kritische geest en beschaving: het idee lijkt geforceerd – een flutstuk is een flutstuk, of het nu online of gedrukt verschijnt – maar Snyder gaat het om iets anders. Op papier lezen drukt een bepaalde levenshouding uit, een die niet meewaait met de waan van de dag – lees: digitale (sociale) media. En zoals bekend, nepnieuws is geen ongewoon verschijnsel op sociale media.

In dezelfde Lettre-uitgave pleit de Italiaanse schrijver Paolo Giordano (De eenzaamheid van priemgetallen) voor papieren boeken. Zijn Kindle, Sony Reader en Kobo laat Giordano stof verzamelen sinds hij tot inzicht kwam dat een boek op papier meer boek is dan een e-boek. Wat hij schrijft is mij uit het hart gegrepen: ‘Als we in een papieren boek bladeren, hebben we het gevoel dat we in direct contact staan met het materiaal waaruit de tekst gemaakt is (en dat doen we daadwerkelijk ook). En nog meer: we zijn ons op iedere ogenblik – zelfs als we niet lezen – bewust van de fysieke natuur van het medium, het gewicht van het boek in onze hand, de textuur van de boekband, de tekst op de achterkaft als we het boek omdraaien. Deze componenten die onze waarneming van het boek als een organisch object bepalen, maken het ook makkelijker om wat we lezen tot ons te nemen en te onthouden.’ Dat allemaal gebeurt niet bij het digitaal lezen.

Het spreekt voor zich dat ik Giordano’s gedachte van lezen als een fysieke relatie tussen de lezer en het boek volledig onderschrijf. Ook herken ik me in zijn schrijversperspectief waarin een gepaste afstand tot internet en sociale media haast een noodzaak wordt. Sociale media roven tijd, omdat ze je bezig houden met losse berichten die je ook nog eens in de gaten moet houden. Wie liket of volgt je, hoeveel keer wordt een bericht geretweet en -repost enzovoorts. De vluchtige media gebruiken bovendien je ideeën op, vindt Giordano, want je bent geneigd om je scherpste zinnen en leukste grappen al op je Facebook-tijdlijn of via WhatsApp te delen, in plaats van ze te bewaren voor je boek. Ik bedenk me dat hetzelfde net zo goed geldt voor enthousiast facebookende en whatsappende niet-schrijvers die op een avond met vrienden opeens merken dat ze gespreksstof tekort komen, omdat ze alles al in 140 tekens of minder met anderen gedeeld hebben.

Tekst als levend wezen

Ik lees regelmatig drie tijdschriften die in het verlengde staan zowel van Snyders beschavingsmissie als van Giordano’s gevoelsmatige en praktische redenen voor het papieren lezen. Alle drie bladen respecteren het gedrukte woord, staan zelfbewust haaks op de tijdgeest, zowel wat inhoud als vorm betreft, en geen van de drie maakt echt haast met verschijnen.

Tortuca is een Nederlands tijdschrift voor literatuur en kunst. Het verschijnt ongeveer drie keer per jaar in een oplage van 600 genummerde exemplaren – met nadruk op ‘ongeveer’, want in de loop der jaren heb ik het soms twee, soms drie en als ik me niet vergis weleens ook vier keer per jaar gekregen. Zijn taaie, dappere voortbestaan heeft Tortuca te danken aan de subsidie van gemeente Rotterdam.

Jaren geleden, op zoek naar een geschikt podium voor een paar verhalen die ik geschreven had, stuitte ik per toeval op deze parel onder literaire tijdschriften. Literatuurtijdschriften boeien me meestal niet, maar ik zag direct dat Tortuca wars is van de pretentie die meeste literaire bladen wasemen. Het blad publiceert veel poëzie en korte prozastukken, ook in vertaling, ook van minder bekende schrijvers. De tekstbijdragen wisselt het af met beeldend werk. Zo stuurde ik mijn verhalen naar de redactie. Een jaar later kreeg ik een enthousiaste reactie: ze vonden mijn schrijven ‘charmant’. Publicatie was voorzien. Uiteindelijk verscheen nog een half jaar later een van de verhalen als een boek-in-tijdschrift, in een miniformaat, ingepakt in een papieren zakje en geplakt op de pagina. Een literair debuut kan beroerder zijn.

Dit voorval typeert de hoogst geïndividualiseerde aanpak van Tortuca. Teksten en beelden worden haast zelfstandige wezens, ieder met een eigen visuele persoonlijkheid. Iets wat online minder gelukkig zou uitpakken, want – pace Giordano – zonder textuur.

Hetzelfde geldt voor het Engelse tijdschrift Slightly Foxed, een subtiel vormgegeven magazine over boeken, van lezers voor lezers, ‘The Real Reader’s Quarterly’, zoals de ondertitel van het blad luidt. Niet zelden schrijven de lezers ook zelf boeken. In het blad delen ze hun enthousiasme en liefde voor in vergetelheid geraakte literatuur met anderen.

De eenvoudige redactieformule trof mij aangenaam, toen ik de Foxed – alweer per toeval – ontdekte. Er zijn namelijk niet veel tijdschriften of websites waarin boeken besproken worden vanuit het perspectief van de lezer, zonder literaire of cultuurhistorische of maatschappelijke analyses, en ook zonder een recensie te zijn. Slightly Foxed beoefent een zeldzaam geworden genre van echte boekbesprekingen, essays die over boeken en niets anders dan boeken gaan. In een echt essay is de schrijver aanwezig, en zo is het ook in de stukken die Foxed publiceert. Ondanks een digitaal archief (toegankelijk voor abonnees) en een onlineversie, is het blad in de eerste plaats een papieren tijdschrift. Gedrukt op een ouderwets aandoend crèmekleurig papier en voorzien van illustraties in zwart-wit, evenaart het uiterlijk van Slightly Foxed de ongedwongen visuele pracht van Tortuca.

Het Europese perspectief

Tot slot behoort het eerder geciteerde Lettre International tot de kern van mijn journalistieke slow reading. Lettre – ook een kwartaaltijdschrift – ken ik al een decennia of drie, uit de tijd dat ik in Duitsland woonde en de allereerste Duitse editie bestond. Zoals aan de naam te horen is, ligt de oorsprong van Lettre in Frankrijk. Net als het politieke maandblad Le Monde Diplomatique – dat in Nederland overigens zelfs verkrijgbaar is in de stationskiosk, in tegenstelling tot Lettre dat waarschijnlijk alleen bij Athenaeum Nieuwscenter te koop ligt – heeft  Lettre al enkele jaren na oprichting edities en redacties in verschillende landen erbij gekregen. Dat ik de Duitse editie lees, heeft niet alleen te maken met mijn eigen geschiedenis, maar ook met het jammerlijke feit dat het Franse moederblad al in 1993 stopte. Toch had mijn voorliefde voor het Duitse Lettre vanaf het begin ook een inhoudelijke reden. Want hoewel er veel vertaalde stukken verschijnen – de artikelen van Snyder en Giordano zijn vermoedelijk ook in anderstalige edities verschenen – stelt iedere landenredactie zijn eigen Lettre samen. In de Duitse editie ligt het zwaartepunt sinds jaar en dag behalve op Duitsland, op het Midden- en Oost-Europa. En daar gebeurde eind jaren tachtig, begin jaren negentig heel wat. Net zoals nu, al hoor je daarover hier verhoudingswijze vrij weinig, zeker als het op cultuur aankomt. Daarmee heeft Lettre International een Europees perspectief en niet Angelsaksisch zoals in Nederland. Zie daar een toegevoegde reden voor mijn belangstelling. Lettre adverteert zich niet voor niets als ‘Europa’s cultuurtijdschrift’.

Ook Lettre heeft, net als Tortuca en Slightly Foxed, een onmodieus uiterlijk, zij het heel anders dan de twee toch wel vrij chique literaire bladen. Lettre verschijnt – tegenwoordig zeldzaam voor een tijdschrift – al sinds zijn oprichting in tabloidformaat, zeg maar de huidige maat van de meeste Nederlandse kranten. Het blad is zwaar en dik en alles behalve makkelijk te hanteren: het past niet in de tas, neemt een halve tafel in beslag en leent zich niet voor het lezen in bed. De artikelen beslaan vaak meerdere dichtgedrukte bladzijden, en die vragen van de lezer precies die kwaliteit die de huidige digimensen volgens Snyder en Giordano ontberen: concentratie. Lettre is een en al essay, opinie en tekstfragment, afgewisseld met paginagroot afgedrukte kunstwerken en goed gedoseerde boekreclame. Een Lettre lees je niet in een avond, niet eens in twee of drie avonden. Het is een blad om naar terug te keren.

Als vierde heb ook een abonnement op De Groene Amsterdammer, dat ik beschouw als onmisbaar in de Nederlandse woestijn van helemaal of half ter ziele gegaan actualiteitsbladen. Maar De Groene is voor mij een uitbreiding van de krant; het verschijnt zo akelig vaak, elke week. Dat kan geen (zelfbewust) trage lezer bijhouden, vooral als hij, net als ik, zich vooral identificeert als boekenlezer. Daarom doe ik wat kan: ik lees eerst de krenten uit de pap en laat de rest rusten tot een geschikt moment, dat meestal ongeveer halfjaarlijks komt als de stapel bladen gevaarlijk hoog wordt. Want: niets ten nadele van De Groene en mijn drie andere lijfbladen, maar ik geef grif toe dat een goed boek voor mij altijd de voorkeur heeft boven een tijdschrift. Op papier uiteraard.

© Schift, januari 2017

Share Button
ELISA VEINI Geschreven door:

Elisa Veini is documentairemaker, schrijver en communicatieadviseur. Onlangs bracht ze een documentairefilm uit over een volkscafé in Vlaanderen. Zie Titojoeen Café Bostella.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.