Een obsessie met geluk

In de metro kwam een man naast ons staan. Hij vroeg waar we vandaan kwamen. ‘Nederland?,’ herhaalde hij, terwijl hij zich voor zijn evenwicht vastgreep aan de lussen. ‘Dan haten jullie ons,’ zei hij. ‘Vanwege de oorlog.’ Zonder onze repliek af te wachten schakelde hij goedgemutst over op andere onderwerpen. Hij ratelde over Japanse visgerechten, over zijn talenknobbel en over het openbaar vervoer in Kyoto, onderwijl scherp in de gaten houdend dat we de halte waar niet hij, maar wij eruit moesten, niet zouden missen.

Genbakukoepel, Hiroshima, foto: Maarten SlagboomEen dag of wat later bezochten we het Vredespark, de herdenkingslocatie van het atoombombardement op Hiroshima. Wie onder de boog van de cenotaaf door kijkt ziet een eeuwige vlam, en in de verte verrijst de ruïne van het enige gebouw dat bewaard is gebleven van de oude stad. In het begeleidende museum, waar de bekende beelden van de reusachtige paddenstoel worden afgewisseld met foto’s van verteerde en aangetaste lichamen, ontbreekt het geheel aan teksten over de Japanse rol in de oorlog. De vraag hoe de meeste Japanners over de oorlog denken drong zich op. De volgende dag ontmoetten we in Kyoto een van oorsprong Duitse leraar Engels, die al ruim tien jaar in Japan woonde. ‘Ik denk dat het beste antwoord is: ze denken er helemaal niet over,’ zei hij. Als er hem een ding was opgevallen de afgelopen jaren dan was het dat zijn studenten geen vragen stellen. Generaliserend gesproken: ze nemen de stof tot zich, worden daarop getoetst en behalen zo hun diploma. De keren dat een student de vraag ‘waarom?’ stelde waren op een hand te tellen. ‘Kritische vragen stellen, of belangrijker nog: nieuwsgierig zijn, dat is hier op z’n zachtst gezegd ongebruikelijk,’ zei hij. ‘Een jongen die een filosofisch boekje uit z’n tas haalde toen hij na het maken van een toets tijd over hield werd door de hele school vreemd aangekeken. Filosofie? Dat staat niet op het rooster hoor.’

Geen wonder dat er in dit land geen noemenswaardige kritische media bestaan, ging hij verder. Japanners, zei hij stellig, vragen zich niet af, maar nemen dingen aan. De dingen zijn immers zoals ze zijn. Ieder jaar hing hij bij zijn eerstejaars een college op aan het jaarlijkse internationaal vergelijkende onderzoek over geluk. Hoe hoog dachten zijn studenten dat Japan op die lijst stond, vroeg hij vooraf. Bovenaan natuurlijk, was steevast het antwoord. Eerst liet hij ze de top 10 zien. Denemarken, Nederland en Zweden schommelden altijd ergens in de bovenste regionen van de index. Het duurde altijd even voor het tot iemand doordrong dat Japan niet eens in de top 10 voorkwam. ‘Huh, hoe kan dat nou? We hebben hier toch alles?’, zei dan iemand. Pas daarna liet hij ze de volledige lijst zien. Japan bungelt meestal ergens tussen nummer 40 en 50. Een ambitieuze leraar die zich had voorgenomen zijn studenten aan het denken te krijgen, en het zichzelf vaak lastig maakte. Zijn verzet tegen cliëntelisme en kruiwagens die hem aan een betere betrekking konden helpen leidden uitsluitend tot onbegrip. Verheven morele principes die bij zijn gesprekspartners waarschijnlijk de indruk wekten dat hij niet helemaal goed bij zijn hoofd was.

Tokio, foto: Maarten Slagboom

Thuis las ik het boek Het loon van de schuld van schrijver en japanoloog Ian Buruma. ‘Wanneer, en als, Japanners tegenwoordig over de oorlog praten, bedoelen ze meestal de oorlog tegen de Verenigde Staten,’ schrijft hij. ‘Zoals de Duitsers almaar weer te horen krijgen dat ze zich de nazi’s en de Holocaust moeten herinneren, zo denken jeugdige Japanners aan Hiroshima en Nagasaki. De oorlog in Zuid-Oost-Azië herinnert men zich nauwelijks.’ Er is wel debat over de rol van Japan in de oorlog, maar het wordt nooit publiek omdat Japanners in politieke zin nooit volwassen zijn geworden. Het debat is blijven steken in de late jaren veertig, schrijft Buruma: conservatieve politici blijven hun greep op de macht rechtvaardigen terwijl de kleine linkse oppositie gebiologeerd blijft door de spoken van het militarisme.

Buruma voert Murakami Hatsuichi op, een man die hij ontmoet op het eiland Okunojima in de Binnenzee. In het museum van Hiroshima is het heel makkelijk om je slachtoffer te voelen, zegt hij. ‘Luister,’ legt hij Buruma uit, ‘als je met een andere man vecht en hem slaat en trapt, dan zal hij terugslaan en schoppen. Een van beiden zal winnen. En hoe zal men zich dat herinneren? Herinneren we ons dat we geschopt zijn, of dat we zelf met schoppen zijn begonnen?’ De Japanse historicus Ienaga Saburo, gevraagd naar het verschil tussen de Duitse en de Japanse herinnering aan de oorlog: ‘Het grote verschil is dat veel Duitsers zich hebben verzet. In Japan heeft vrijwel niemand zich verzet. Wij waren een volk van conformisten.’

Een volk van conformisten vormen de Japanners in veel opzichten nog steeds. Grootstedelijk Japan oogt voor de argeloze bezoeker bedrieglijk vertrouwd – oppervlakkig beschouwd wekt Tokio de indruk van een New York waarin Aziaten de stad domineren – maar alles is zo ongelooflijk gestroomlijnd. Zelfs de daklozen, in Tokio vooral te vinden rond Ueno Park en in de dure hotelwijk Nishi-Shinjuku, zien er opvallend goedverzorgd uit. Na een tijd zal je er ongetwijfeld heel recalcitrant van worden, maar fascinerend is het wel, de vanzelfsprekendheid waarmee wachtenden op het ondergrondse perron zich keurig opstellen in twee rijtjes, exact binnen de daarvoor aangegeven lijntjes. Aanvankelijk lijkt de stad een bont amalgaam van zakenmensen, goths, punks en Lolita’s maar wie goed kijkt ziet dat er in al die dissonanten ook weer vaste patronen te herkennen zijn. In hun afwijkendheid lijken de goths en de Lolita’s binnen hun subcultuur weer identitiek. Het lijkt een samenleving waarin voor afwijkend gedrag vaste protocollen bestaan, een paradox die tekenend is voor het hele land.

Ik herinnerde me een interview dat ik had met hoogleraar transculturele psychiatrie Joop de Jong. In China en in Japan komt nauwelijks depressie voor, hield hij me voor. ‘Dat wij hier betrekkelijk vaak depressief zijn is aan onze levensinstelling en culturele waarden te wijten,’ zei hij. ‘We leven natuurlijk in een individualistische, egocentrische cultuur. Als je almaar bezig bent met jezelf, met zelfontplooiing, dan zie je sneller problemen. In een collectieve cultuur als de Japanse of de Chinese zijn mensen niet geneigd aldoor te focussen op hun eigen geluk. In het boeddhisme kennen mensen die obsessie met het eigen levensgeluk nauwelijks. Ze menen ook niet, zoals wij hier, dat ze recht hebben op geluk. De obsessie met gelukkig zijn – die je ook terug ziet in de medicatie – is echt een voorpost van het westerse wereldbeeld. Een boeddhist die leeft met de idee van samsara kent dat niet. Die denkt bij tegenslag: dat lost zich in een volgend leven wel op. Onthechting is veel belangrijker dan geluk, zoals in andere culturen de concepten schaamte en jaloezie juist het belangrijkst zijn. Als onthechting centraal staat zijn gevoelens van depressie domweg niet zo belangrijk, er wordt nauwelijks waarde aan gehecht.’

Onthechting

Harajuku, Tokio, foto: Maarten SlagboomDe Jong legde uit dat weliswaar overal ter wereld mensen kampen met moeheid, slapeloosheid en uitzichtloosheid, maar dat in iedere cultuur op basis van diezelfde – hoofdzakelijk lichamelijke – klachten een andere diagnose wordt gesteld. Het labellen van de problemen was bepalend. ‘In grote delen van Azië en Afrika heet het: ‘ik denk te veel na’. Thinking too much is er een veelgestelde diagnose. In weer andere culturen waar mensen geloven in zielsverlies en hekserij zeggen ze: ‘ik heb mijn ziel verloren’. Daardoor slaap ik slecht, vermindert m’n eetlust, heb ik nergens meer zin in. De lichamelijke klachten zijn wereldwijd identiek, maar het psychische deel wordt overal anders gelabeld. In het westen zijn we vind ik geïndoctrineerd met het concept ‘depressie’. Let wel, ik kan dat niet vaak genoeg herhalen: vanzelfsprekend is er een kleine groep mensen die een heel ernstige angststoornis heeft en die ook gebaat is bij de pillen die er zijn. Diezelfde pillen werken dan overigens ook wanneer iemand z’n ziel verloren heeft, of te veel nadenkt. De oorzaken van wat wij hier ‘depressie’ plegen te noemen, zijn wereldwijd bekend. Dat is op de eerste plaats verlies, dood, sterfte en op de tweede plaats het onvermogen om dingen die gebeurd zijn – een stukgelopen relatie, gefnuikte ambities, ga zo maar door – los te laten. Dat zijn universele emoties. Maar het concept depressie is hier zo wijd verbreid dat het verworden is tot een cultureel probleem, en zelfs, via de farmaceutische industrie, tot een cultureel exportproduct. Voorbeeld: anorexia vinden we hier een vreselijke stoornis, maar het is een cultureel probleem. Het bestaat uitsluitend in Europa en in de VS, en sinds een jaar of tien in de grote steden in Zuid-Amerika en in Aziatische metropolen als Hongkong en Singapore. Een stoornis die geheel is toe te schrijven aan westerse schoonheidsidealen over de maat van de taille. Zoals anorexia een cultureel product is, is depressie dat ook.’

Die obsessie met geluk van ons kennen ze dus in Japan niet, zegt Joop de Jong. In een wij-cultuur zoals de Japanse zijn concepten zoals zelfontplooiing veel minder pregnant, het westerse idee er als individu uit te springen, bijzonder te zijn. Opgaan in het geheel, dat is misschien het hoogste en meest heilzame goed. Een angststoornis die in Japan veel wordt gemeten is die waarbij je bang bent dat anderen je in verlegenheid zullen brengen, want: hoe een ander over jou denkt, dat bepaalt de samenleving. Zelfs in een verschijnsel als zelfmoord, op z’n zachtst gezegd bepaald niet ongebruikelijk in Japan, weerspiegelt zich de wij-samenleving. Figuurlijk, doordat niet zelden familie-eer of bedrijfsfaillissement aan de zelfdoding ten grondslag ligt, maar soms ook letterlijk in het geval als groep georganiseerde zelfmoorden die incidenteel voorkomen en lugubere locaties zoals het zelfmoordbos Aokigahara, niet ver van de berg Fujii. De volledige handleiding voor zelfmoord, een boek van Wataru Tsurumi, is bij veel lichamen in het bos gevonden.

Kawaii

Minstens zo opvallend als de collectieve mentaliteit is de alomtegenwoordigheid in Japan van afgebeelde wezentjes, schattige diertjes, cartoonfiguren en gebruiksvoorwerpen met een gezichtje. Zelfs serieuze overheidspropaganda aan de muren wordt voorzien van manga-figuren of getekende dieren. Je ziet geregeld volwassen mannen lopen in een t-shirt met een Disney-figuur, of met een pluche knuffel aan hun heuptas. Het woord kinderachtig lijkt hier totaal geen negatieve connotatie te hebben. Ook op religieuze lokaties, in en rond boeddhistische tempels en bij shinto-schrijnen, doemen om de haverklap knuffelbeertjes, Disneyfiguren en Hello Kitty’s op. In de metro weerklinken vogeltjes en kinderlijke melodietjes (het soort waar eens Yellow Magic Orchestra patent op leek te hebben), en ook wie de deur van een koelkast opent kan zomaar opeens een lieflijk melodietje horen. Wegafzettingen bij werkzaamheden bestaan uit aan elkaar gemonteerde beertjes of girafjes. Anime en manga bestaat er weliswaar in alle soorten, tot aan pornografisch en uiterst gewelddadig toe (ecchi en hentai), maar in het straatbeeld overheerst alles wat kawaii is (schattig). Op begraafplaatsen krijgen beelden van bodhisattva’s zoals Jizo, de beschermer van de kinderen en begeleider op reizen, vaak een rood mutsje opgezet en niet zelden dragen ze een slabbetje. Niet alleen Jizo en alle overleden kinderen over wier zielen hij waakt krijgen een rood slabbetje om, ook alle dieren die een heilige rol vervullen binnen de shinto-denkwereld. Waar de overleden kinderen en baby’s bescherming wordt geboden, symboliseert de slab bij veel van de dieren het afwenden van het kwaad. We hebben stenen vossen met slabbetjes gezien, koeien, padden, muizen, vogels. Sommige dieren hadden lagen vol slabbetjes omgeknoopt gekregen. In de Zojoji tempel, aan de voet van de Tokyo Tower, vonden de rode mutsjes en slabbetjes gretig aftrek.

Zojo-ji, Tokio, foto: Maarten Slagboom

‘Er zit iets irritants in het infantilisme van de naoorlogse Japanse cultuur,’ schrijft Ian Buruma. ‘De alomtegenwoordige hoge stemmetjes van vrouwen die doen alsof ze kleine meisjes zijn; de Disneylandachtige architectuur van Japanse winkelstraten, waar alles tot suikerzoete schattigheid wordt gereduceerd; de salary men die, hangend aan de lussen in de metro, jongensstripboeken lezen. Japan lijkt soms op een volk van mensen die ernaar snakken twaalf jaar of nog jonger te zijn, die verlangen naar de heerlijke tijd toen alles veilig was en verantwoordelijkheid nog niet was vereist.’

Wegafzetting bij Kibune, foto: Maarten SlagboomMaar de obsessie met schattige wezentjes en voorwerpen die kawaii zijn lijkt dieper verankerd te zijn in de cultuur. In een recente uitzending van Tegenlicht over de opkomst van robots in Japan komt Naho Kitano aan het woord, robot-sociologe en ondernemer. Ze legt treffend uit dat technologie in Japan nooit als bedreigend wordt gezien en hoe het komt dat Japanners er geen probleem mee hebben een object als een robot een ziel te geven. Het maakt deel uit van rinri, Japanse ethiek. ‘Japan heeft altijd een geloof gehad dat tastbare dingen een ziel hebben,’ zegt ze in de uitzending. ‘Het is moeilijk uit te leggen. Het woord ‘ziel’ betekent iets anders in het Engels dan in het Japans. Het heeft niet de katholieke of filosofische betekenis van ‘geest’. In ontologische zin geloven we dat er iets is, ook al is er niets. Japanners zien de samenleving meer als een harmonisering, of zoals ik het noem ‘het met elkaar zijn’. Die between-ness creëert de samenleving. Wat ik van een voorwerp of een persoon vindt, en de relatie tussen mij en dat voorwerp, geeft betekenis aan het voorwerp. Als een voorwerp zoals gereedschap heel veel voor ons tot stand heeft gebracht dan moet het wel een ziel hebben. De betekenis die wij zelf geven aan een voorwerp is bepalend. Hoewel het maar materie is, hebben we dan het gevoel dat we het recht moeten doen, respecteren, en soms zelfs aanbidden. Dat bijvoorbeeld veel robots een schattig gezicht hebben helpt die band mogelijk te maken.’

De verleiding is groot om er met een techno-oriëntalistische blik naar te kijken, maar ik moest ineens denken aan een bezoek aan de autogarage, een paar jaar geleden. Samen met mijn dochter stond ik toe te kijken hoe onze auto, toch ook een gebruiksvoorwerp dat we de dag na aankoop een naam hadden gegeven alsof het een levend wezen is, omhoog werd getakeld en drie mannen aan hem begonnen te sleutelen. Terwijl een voor een de banden eraf werden getild en hij steeds verder onttakeld raakte hadden we ineens met hem te doen. Kan dat allemaal niet wat respectvoller? Het was alsof we die auto, waarmee we al zo veel kilometers hadden afgelegd en dus lief en leed hadden gedeeld, toefluisterden: even doorbijten, jongen, het is zo weer voorbij. Identificatie met een voorwerp of apparaat is ongetwijfeld iets dat je voor het overgrote deel ergens in de kindertijd kwijtspeelt. Ik herinner me heel goed het moment waarop mijn dochter voor het eerst niet meer helemaal opging in het spel dat we speelden met haar knuffels. Het was een bruiloft tussen Grote Beer en Scheefhoofd, waarvoor alle andere knuffels waren komen opdagen en alles letterlijk en figuurlijk uit de kast werd getrokken. Waar ze tot dan toe alles tot in de kleinste details accepteerde als een gegeven, gaf ze er nu plots halverwege het ritueel de brui aan. Dit was niet echt! Ze bewogen niet eens!

De kunstenares Nienke Koedijk publiceerde onlangs een boek waarvoor ze zeventig Nederlandse volwassenen fotografeerde en interviewde over hun relatie met hun knuffel. Verborgen vrienden heet het. In Japan is zo’n relatie veel minder curieus, dit is het land waar de levensgrote opblaaspoppen, van gezelschapsvrienden tot sekspartners, niet aan te slepen zijn. In Nagoro, op het eiland Shikoku, wonen meer poppen die overleden en vertrokken bewoners vertegenwoordigen dan levende mensen; in het Moemincafé in Tokio krijgen niet alleen kinderen, maar ook eenzame volwassenen gezelschap van een reusachtige Moeminknuffel aan hun tafeltje voor twee. Er is zelfs een reisbureautje dat geheel verzorgde reizen voor uw knuffel verzorgt door Tokio en andere steden in Japan. Voor een redelijk bedrag krijgt u het fotoverslag samen met uw knuffel na een paar weken thuisbezorgd.

Dingen een ziel geven, het bestaat natuurlijk al zo lang er animistische culturen en religies zijn. En wie wil kan het, met de juiste dosis rationaliteit, ook omdraaien. ‘Het idee van een menselijke ziel, waarin zijn onvervreemdbare kern zich zou ophouden, mist iedere wetenschappelijke grond’, schreef Bas Heijne vorig jaar in NRC Handelsblad. ‘Zelfs ons idee van een persoonlijke identiteit, van een ik, blijkt bij nadere beschouwing een optische illusie. We zijn, alle bewijs wijst erop, niet meer dan een verzameling biologische en neurologische processen, voortdurend aan verandering onderhevig – en uiteindelijk gedoemd om te vergaan. Alleen: iets in ons brein verschaft ons de illusie dat we mensen uit één stuk zijn, iets in onze hersenen zorgt ervoor dat we onszelf als bezielde wezens blijven zien, die, om het simpel uit te drukken, boven de materie staan. Het is niet zo, maar we zijn evolutionair uitgerust te denken dat het wel zo is.’

Gotoku-ji, Tokio, foto: Maarten Slagboom

In een buitenwijk van Tokio belandden we in een tempel die gewijd was aan de gelukskat maneki neko, hier vaak te vinden achter het raam van Chinese en Japanse restaurants. Het wuivende pootje (maneki neko betekent letterlijk ‘wenkende kat’) brengt geluk. Niet het grote levensgeluk, maar het geluk van een loterijwinst. Honderden maneki neko’s schitterden in het vroege ochtendlicht. Een vredesleger van stenen en plastic gelukskatten, minutieus gerangschikt onder het toeziend oog van een verlichte geest. Voor de belendende shinto-schrijn verscheen een jongen die zijn vaste ritueel uitvoerde. Hij deed wat iedere gelovige bij een shinto-schrijn doet: hij maakte een diepe buiging, trok aan het touw, klapte driemaal in zijn handen om de aandacht van de goden te vragen en maakte andermaal een diepe buiging. Op dat moment betraden vier mannen en vrouwen van middelbare leeftijd het domein van de maneki neko’s. Ze keken naar de zee van helverlichte amuletten en riepen tegelijk uit: ‘Ah…. Kawaii!’

Thuis bond ik de knuffel die ooit ging waar ik ging een rood slabbetje om.

© Schift, mei 2015

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur en researcher verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman, De IJzeren Eeuw). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek Echo.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.