Een einde waar geen scenarioschrijver mee weg zou komen

Ik werd getroffen door een passage in een gesprek met schrijfster Marja Pruis. Levenslessen, heet de interviewrubriek, en de les in kwestie was: Blijf trouw aan wat je samen hebt opgebouwd. Ze vertelde over de relatie met haar man, die ze al sinds haar dertiende kent, en over de fictie van ‘de ware’. Wie dacht dat de feministe die fictie om zeep wilde helpen, kwam bedrogen uit. Die fictie, betoogde ze, is juist wat je op de been houdt. ‘Ik denk dat mensen zich pas echt verliezen in een fictie als ze het idee hebben dat ze het bij een ander opnieuw kunnen vinden – ik betwijfel dat. Ik vind het belangrijk je aan iemand te committeren en samen een geschiedenis op te bouwen en daar trouw aan te blijven, het is de enige manier waarop samenleven zin krijgt. Daar horen ergernissen bij, misverstanden en gruwelen, maar als je het verbond eenmaal verbreekt, ben je verloren. Dan ga je het misschien bij een ander zoeken, maar daar gebeurt het na verloop van tijd weer. Ik hecht aan het idee dat sommige dingen onherhaalbaar zijn.’

Naar je leven kijken als een verhaal met onherhaalbare scènes kan structuur geven die troostend is. Maar sommige omstandigheden maken het onmogelijk de narratieve draden af te hechten. Vanaf het moment dat Alzheimer aan zijn lange, slopende werk begon bij mijn moeder werd er aan het langlopende verbond tussen mijn ouders geknaagd. Afgelopen najaar stierf ze. In de laatste uren waarin ze nog enig bewustzijn vertoonde streden wanhoop, pijn, machteloosheid en waanzin om voorrang. Haar troosten of überhaupt nog communiceren was nauwelijks mogelijk, zelfs met al die mensen om haar bed was ze uiteindelijk volledig aan zichzelf overgeleverd. Het waren precies het soort laatste uren die je niemand gunt, een einde waar geen scenarioschrijver mee weg zou komen. Niet zonder afscheid te nemen van zijn geldschieters in ieder geval.

Als ik mijn vader sinds haar overlijden wel eens vraag of hij het fijn vindt als ik met hem naar de begraafplaats rijd, zegt hij: ‘O nee! Moet er niet aan denken. Ze is daar niet.’ Geen woord wil hij er eigenlijk verder over kwijt, al lijkt dat sinds kort soms een klein beetje te kantelen. ‘We deden alles samen, soms denk ik wel eens: we deden te veel samen,’ is een van de weinige uitspraken waarop ik hem kan betrappen. Er is niets, werkelijks niets, dat hem wezenlijk lijkt te boeien. Boeken, televisie, internet, spelletjes, het hield hem ook al niet bezig toen ze nog volop in het leven stond. Dus wat er resteert is, ja wat resteert er eigenlijk? Wat blijft er over? Op de dekenkist staat haar portret in tweevoud. Eentje van rond de verloving, vroege jaren zestig, en eentje van vlak voor het moment dat de ziekte zich aangekondigde. Vanaf dat moment begon het verbond scheuren te vertonen, hun verhalen kwamen – de wil om aan het commitment vast te houden ten spijt – niet meer overeen; hun werkelijkheden dreven uit elkaar, de gezamenlijke fictie boette steeds verder aan structuur in.

Gewurgd in liefde

In de krant las ik vorige week een bespreking van een gesprek in De Wereld Draait Door met schrijver Joris van Casteren en met Piet, de hoofdpersoon in zijn boek Moeders Lichaam. Piet, een man die zijn hele leven thuis was blijven wonen en nooit betaald werk had verricht, had zijn dominante moeder op haar sterfbed moeten beloven dat hij straks niemand zou vertellen dat ze dood was. Op die manier, had ze hem gezegd, bleef hij haar AOW ontvangen en met dat geld kon hij het dure voer blijven betalen dat ze aan de katten voorschotelden. En zo geschiedde. Anderhalf jaar hield hij het ontbindende lichaam van zijn moeder verborgen in een kamer van het huis. Voor de buitenwereld hield hij het verhaal staande dat ze nog in leven was. Schrijver Van Casteren legde uit hoeveel moois er in deze geschiedenis van ‘een man gewurgd in liefde door zijn moeder’ besloten lag: ‘Dit heeft alles. Het is liefde, het is trouw, het is dood en het is bedrog.’

Televisie-criticus Arjen Fortuin reageerde in NRC op de regen aan afkeurende commentaren die volgde op het gesprek. Die commentaren, veelal op Twitter, kwamen eigenlijk allemaal neer op de vraag: hoe bestaat het dat zo’n oplichter zo’n podium krijgt? ‘Er zijn ernstiger fraudeurs op tv, maar vrolijk werd ik toch niet van de uitzending,’ schreef Fortuin. ‘Dat kwam door de nadruk die lag op hoe geweldig het verhaal was. Het ging over de bizarre moederliefde van Van der Molen (die haar nooit had tegengesproken) en er waren details over hoe het lichaam was gaan ontbinden. (…) Van Casteren had de neiging het woord te nemen namens Van der Molen, die daardoor steeds meer een personage werd. Ik hoorde ‘Nu lachen we erom, maar…’ – in mij was het nog geen moment opgekomen om te lachen.’

Ik zocht het fragment op, en zag iets anders. Ik denk dat het vermogen in deze zonderlinge man een personage te zien juist de kern van het verhaal is. Zodra je ons beziet als personages in een groot epos ontstaat ruimte voor empathie. Nadat hij had bekend dat hij zijn moeder had verborgen, hadden verschillende mensen tegen Piet gezegd dat hij er een boek over moest schrijven. Dat leek hem wel een goed idee, maar ja hoe doe je dat? En toen stond ineens Joris van Casteren op de stoep. Piet was, zou je kunnen zeggen, een personage op zoek naar een auteur.

In de steek gelaten

Personages op zoek naar een auteur, eigenlijk zijn we dat allemaal natuurlijk. Niet in de ijdele zin, maar als gevolg van het verlangen om van al die grillige, schijnbaar willekeurige gebeurtenissen in ons leven een kloppend verhaal te maken, liefst met een kop en een staart. In het toneelstuk Zes Personages Op Zoek Naar Een Auteur van de Italiaan Pirandello zijn zes mannen en vrouwen door hun schrijver halverwege het scheppingsproces in de steek gelaten. Tijdens een repetitie van een toneelgezelschap eisen ze aandacht voor hun situatie. De regisseur en de acteurs zijn best bereidwillig, maar hebben dan wel echt de artistieke vrijheid nodig om aan hen als personages te gaan sleutelen. Het leidt tot complexe, soms hilarische taferelen, zeker als de personages zich verzetten tegen al te sterke dramatisering van hun verhaal.

Onlangs zag ik Stranger Than Fiction terug, een tragikomische film die met diezelfde verwarring speelt. Van de ene op de andere dag hoort het hoofdpersonage in die film, een goeiige belastinginspecteur genaamd Harold, een stem die op de gekste momenten van de dag zijn leven beschrijft in de derde persoon enkelvoud. ‘When other’s minds would fantasize about their upcoming day or even try to grip onto the final moments of their dreams,’ hoort hij terwijl hij ‘s ochtends zijn tanden staat te poetsen, ‘Harold just counted brushstrokes’. Harold blijkt het hoofdpersonage te zijn in een roman van een vermaarde schrijfster die kampt met writer’s block. Hij zoekt raad bij een literatuurprofessor, die hem bijstaat in zijn pogingen zijn lot een andere wending te geven. De professor is bekend met het werk van de auteur en wijst erop dat haar personages tegen het eind van haar romans eigenlijk altijd sterven. Als Harold uiteindelijk het nog niet geredigeerde manuscript in handen krijgt realiseert hij zich tot zijn leedwezen dat ook zijn lot vaststaat. Hij zal een fietsend jongetje voor een rijdende bus wegtrekken en bij die heldendaad zelf het leven laten. Hij raakt in paniek, spoort de schrijfster op een probeert haar te bewegen het eind van haar roman te herschrijven. Maar na een stevig onderhoud met de professor komt hij zelf tot de conclusie dat het boek waarin hij de hoofdrol vervult het grote meesterwerk is van zijn creator. Hij bezoekt haar opnieuw en zegt tegen haar: ‘Maak het boek af, het is prachtig. Ik snap het, ik moet sterven.’

Het is een kolderieke, absurdistische scène, maar evengoed bracht die film me aan het denken. Waarschijnlijk ook omdat ik de afgelopen periode met regisseur Jurjen Blick intensief werkte aan de serie Stuk, een documentaireserie maar verteld met behulp van alle mogelijke stijlmiddelen uit de fictie. Narratieve journalistiek, zou je kunnen zeggen. Het is een veelbesproken onderwerp dezer dagen. Deze week woonde ik een avond bij van de Stichting Verhalende Journalistiek, waar over de grenzen van de ‘sturende hand’ van journalisten en documentairemakers werd gesproken. De maker van de documentaire Wognum, een portret van een gabber die ook talent heeft als klassiek pianist, vertelde dat hij een grote ingreep had gedaan om zijn vertelling een mooie climax te bezorgen: hij had zelf geregeld dat zijn hoofdpersonage aan het eind een concert mocht geven in het Concertgebouw, iets wat zonder zijn ingreep ondenkbaar was geweest.

Anders dan hij haalde niet iedereen in de zaal daar de schouders over op, integendeel. Ik begreep de verwarring maar al te goed. Het was immers een avond over ‘verhalende journalistiek’, niet over ‘storytelling’ in het algemeen. Ik moest terugdenken aan mijn studietijd aan de Academie voor de Journalistiek. Alle basisregels werden er ingestampt (en gelukkig maar), van de 4 w’tjes (wie, wat, waar, wanneer) tot hoor en wederhoor, van één bron is géén bron tot de extra check. Maar tegelijkertijd was interviewer Ischa Meijer mijn lichtend voorbeeld, samen met diens leermeester Willem Wittkampf. De inleiding die Ischa schreef bij zijn door mij stukgelezen bundel Interviewen Voor Beginners kon ik spellen. ‘Ik bepaal de richting die het gesprek neemt; ik doe voortdurend suggesties; ik dwing tijdens het gesprek mijn slachtoffer het verhaal in. In wezen vindt het schrijven al tijdens de interviewsessie plaats. Vaak ben ik meer aan het woord dan de ander’. En even verderop in hetzelfde stuk: ‘De persoonlijkheid van de interviewer is het enige dat telt. Hoe anders valt te verklaren dat ik mijn geïnterviewden bij herhaling op papier zinnen laat uitspreken, die zij in werkelijkheid nooit zo gezegd hebben; de realiteit van het interview zelf wordt in principe gedicteerd door wetten van fictie, en deze regels worden door de auteur bepaald, niet door het onderwerp’. Het interessante aan Meijers schitterend geschreven monoloog-interviews was dat zelden of nooit een geïnterviewde na afloop zijn of haar beklag deed. De woorden die de auteur had gekozen waren niet exact die van henzelf, maar het was wel degelijk hun verhaal. Het was zijn versie van hun verhaal, maar kloppen deed het.

Jarenlang echoden de woorden van Ischa Meijer door mijn hoofd, als ik op pad ging met mijn cassetterecordertje en schrijfblok om Het Verhaal van mensen op te tekenen.

Ook Stuk heeft met narratieve journalistiek (New Journalism, zeiden we vroeger) van doen. Ik geloof niet dat ik eerder aan een project heb gewerkt dat zo radicaal is ontstaan vanuit vorm. Aan de basis van het ontwikkelen van een nieuwe reeks ligt meestal toch de wens om een thema te agenderen, om een onderwerp aan te kaarten of zelfs aan de kaak te stellen. Hier niet. Tijdens het ontwikkelen van de serie met Jurjen Blick stond één ding voorop: we wilden de grenzen van de documentaireserie verder oprekken met behulp van stijlmiddelen uit de fictie. Zonder ook maar een moment in te grijpen in de werkelijkheid. Alles volledig echt en aan de werkelijkheid ontleend, maar verteld als was het fictie. Dat betekent bijvoorbeeld de kijker soms belangrijke informatie onthouden, die pas later zal worden ingelost. Het opvoeren van een grote hoeveelheid personages, van wie niet direct duidelijk is welke rol ze in het grote geheel zullen krijgen toebedeeld. Cliffhangers, natuurlijk. Maar waarschijnlijk het meest belangrijk: een alwetende voice-over die in de derde persoon verleden tijd in de hoofden van al die personages kruipt. Een verteller, die heel precies weet wat elk personage beweegt, bezighoudt, motiveert en deprimeert. Met wie je net zo diep kunt doordringen tot het innerlijk van de personages als we dat gewend zijn in een goede roman, of speelfilm.

We hadden een vorm, maar geen inhoud.

We lieten van alles de revue passeren, van een familiekroniek tot een jaargang studenten. Wat we nodig hadden was een arena, een plek waar mensen een ontwikkeling doormaken die ze dwingt te reflecteren over zichzelf. Toen volgde die ingeving van het revalidatiecentrum. Als ergens mensen gedwongen worden te reflecteren op hun bestaan, is het daar. Daarmee was gelijk ook de thematiek bepaald, het werd een serie over het noodlot en hoe we daarmee omgaan. De urgentie – dat woord valt nog al eens als je bij de omroep werkt – was in wezen dezelfde urgentie als die van de Griekse tragedies (al is de stelling dat we juist in deze tijd vol maakbaarheidsdenken moeilijk kunnen omgaan met tegenslag ook goed te verdedigen). Ik ben bij verscheidene revalidatiecentra gaan kijken en we hebben uiteindelijk gekozen voor Heliomare, in Wijk aan Zee. Niet alleen omdat de deur er wijd open stond, maar ook omdat ik er op de eerste dag al veel mensen ontmoette met het hart op de tong en er ook werd gelachen op die gangen, hard gelachen. Ondanks alles, ondanks het verdriet van al die mensen die hun dromen en verlangens doorlopend moeten bijstellen omdat het noodlot had toegeslagen in de vorm van een verkeersongeval, een ongelukkige val van de trap of een medische complicatie. Vanaf dat moment begon onze zoektocht naar personages. Mensen die we er bovenuit konden tillen. Mensen die personages zouden kunnen zijn in dat enorme epos waarin ieder van ons dagelijks de dans met spelingen van het lot moet aangaan.

Dat werden Monique, Willemijn, Paul, Daan, Basir, Maaike en Niels. Voordat researcher Soraya Pol hen de hand schudde, was geen van hen natuurlijk een personage op zoek naar een auteur. Maar het kan niet anders of ze hebben zich wel degelijk af en toe een personage gevoeld. Een personage waaraan anderen zich weer kunnen spiegelen, een personage dat troost biedt, een personage in het verhaal dat ons op de been houdt. Door ze uitputtend te interviewen tijdens de researchfase, kon de alwetende verteller ze in de montagekamer gevoelens toedichten die volledig overeenkwamen met de werkelijkheid. Elk woord dat de personages werd toegeschreven moest kloppen als een bus.

‘Als er een vervolg zou komen, zou ik zeker meedoen,’ vertelde Daan, de scholier die iedere tegenslag te lijf gaat met ongebreideld optimisme, vorige week aan een verslaggever van het Noordhollands Dagblad. ‘Dat zou wel leuk zijn voor het verhaal, om te zien hoe het verder is gegaan met iedereen.’

Zodra je daar de lol niet meer van inziet, niet meer nieuwsgierig bent naar het verdere verloop van ‘het verhaal’, houdt de fictie binnen je levensverhaal je niet meer op de been. De verstandhouding tussen fictie en ons echte leven is even essentieel als broos. Als de fictie je niet meer op de been houdt, dan kampt, zou je kunnen zeggen, de auteur van je leven met writer’s block. Dan kun je alleen maar hopen dat die ergens nog inspiratie vindt.

Het hoeft allemaal niet te eindigen als een Hollywoodfilm, echt niet. Inspiratie voor een slotparagraaf die vrij is van wanhoop, van pijn, onmacht en waanzin is al heel wat.

© Schift, maart 2019

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. In 2018 verscheen zijn bundel 'Motown op legerkistjes'. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen eerder al zijn boek 'Echo'.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.