De zekerheid waarmee ze zich een weg baant


Er zijn dagen waarop ik weinig andere muziek verdraag dan die van Bill Callahan. Doorgaans zijn dat niet de beste dagen. Op de beste dagen klinkt dampende en smachtende deep soul. Op Bill Callahan-dagen moet de storm in het hoofd gaan liggen, in plaats van verder aangewakkerd.

 Laatst, ik had de speellijst opgezet met mijn selectie uit zijn werk, drong ineens tot me door dat in zijn mooiste nummers altijd maar weer de rivier opdoemt. Bill Callahan, die vroeger platen maakte en optrad onder de naam Smog, is een minimalist. In zijn akkoordenschema’s, maar ook in zijn thematiek. Hij schuwt daarbij metaforen niet die op het eerste gehoor een versleten indruk maken. Aldoor diezelfde beelden. Bomen. Wind. Paarden, in galop. Vogels, al dan niet bloedrood. En dan vooral hun vleugels. De trek, de seizoenen. Takken. Water. Maar vooral die rivier. Liefst met hoog gras aan de oevers.

Als chroniqueur van groot en klein relatieleed bedient hij zich sinds zijn Smog-tijd steeds meer van de natuur.  Bill Callahan gebruikt die beelden zoals Frank Auerbach zijn portretten schilderde: met brede, pasteuze streken. Het zijn teksten die ruimte suggereren, voor de goede verstaander zelfs voor humor, maar bij nadere beluistering juist indruk maken door hun ondubbelzinnige helderheid. Clarity, hij zong er zelf al over in dat liedje dat verdwaald raakte op de soundtrack van High Fidelity: Cold Blooded Old Times. Het beeld: een jongetje dat opgegroeid is in een kille en gewelddadige omgeving, opgezadeld met herinneringen die zijn beenderen in glas veranderen. ‘And though you were just a little squirrel,’ zingt Callahan dan, ‘you understood every word. And in this way they gave you clarity, a cold-blooded clarity’.

Het is van een schone treurigheid die weinig uitleg behoeft. Het is muziek die uitnodigt om af te dalen, meegevoerd te worden. Ze vraagt om volle overgave. Daarbij steevast geholpen door die diepe bariton, die, eenmaal stroomafwaarts, afdwingt dat de woorden zich in je hoofd nestelen en niet meer loslaten. Op de teksten van Bill Callahan zal niemand promoveren. Ze draaien onomwonden rond dromen, hoop, verlangen, eenzaamheid en een eeuwig zoeken naar hoe je te verhouden tot de ander, en tot de samenleving.

River oh, river end, river go, river bend’ klinkt het in Say Valley Maker, als een laatste smeekbede. Ik had natuurlijk wel in de gaten dat zelfs in zijn titels het water van de rivier steeds vaker weerklonk –  A River Ain’t Too Much To Love, From The Rivers To The Ocean, Dream River, je moet ziende blind en horende doof zijn wil het je ontgaan – maar het was eigenlijk voor het eerst dat dat woord river zich zo genadeloos en hardnekkig aan mij op bleef dringen. Zelfs in de liedjes uit de Smog-tijd waarin ik hem leerde kennen, bleek zijn personage zich vaak naar de oever van een rivier te begeven. In Ex-con bijvoorbeeld, van Red Apple Falls (1997), reflecteert de titelfiguur op zijn bestaan.  ‘Alone in my room I feel such a part of the community,’ realiseert hij zich, ‘but out on the streets… I feel like a robot by the river.’ Niet iedereen is geschikt zich onder de mensen te begeven, zeker niet op alle dagen. En in River Guard (1999) verplaatst hij zich in een eenzelvige bewaker die gevangenen begeleidt als ze een duik mogen nemen in de rivier. Gezeten in het hoge gras aan de oever wendt hij zijn hoofd af als ze, drijvend op hun rug, de tijd van hun leven hebben. Aan een paar zinnen, wat zeg ik, een enkel woord, heeft Callahan genoeg om zo’n loepzuiver en roerend beeld op te roepen. Clarity.

Een van Callahans platen die me het meest dierbaar zijn is A River Ain’t Too Much To Love (2005). Het was de zwanenzang van Smog, maar klinkt al als de eerste waarop hij een nieuwe koers vaart, een die geen pseudoniem meer behoeft. Op die plaat staat het nummer Rock Bottom Riser. Het personage dat we leren kennen zakt steeds verder weg naar de bodem van de rivier, alwaar een gouden ring ligt te schitteren. Een ring die blinkt en fonkelt ‘at my foolish heart’. Ergens daar beneden, in de peilloze diepte op weg naar de bodem van de rivier, verliest onze protagonist de controle, het lichaam wordt log, geeft niet meer mee, en uiteindelijk geeft hij zich over. Ik geloof niet dat Bill Callahan er ooit uitleg aan heeft gegeven, maar het is verleidelijk om erin terug te zien dat hetgeen waarnaar we streven geluk kan brengen maar ook destructief kan blijken te zijn.

Callahan is geen man van interviews, al gaat het hem de laatste jaren iets gemakkelijker af. The Other Journal (2006) vroeg hem wanneer hij zich realiseerde dat hij zoveel over water schreef. ‘I tend to want to have a unifying theme to a bunch of songs I’m working on,’ zei hij. ‘I noticed that, unconsciously, rivers or water had sprung up in three or four of the numbers. Then it became conscious and I thought maybe I should let the river get in there as much as possible. It kind of naturally inserted itself in so many places and I was very happy about that.’

Winterzon

De rivier als metafoor is allesomvattend. Mijn grootmoeder, bepaald geen filosoof, genoot ervan toen we eens – het was tegen het eind van haar leven, maar dat wisten we toen nog niet – in de auto reden over een lange, smalle weg met hoge bomen aan weerszijden. Bij iedere boom viel even een kort moment een schaduw over ons heen, om direct weer plaats te maken voor een lage winterzon, enzovoorts enzovoorts. ‘Precies zoals het leven,’ zei ze. Het is precies die soort onweerstaanbare tegeltjeswijsheid die de rivier uitlokt en belichaamt. Larmoyant maar onverschrokken.

Je kon je er al op laten meevoeren toen het land nog onbegaanbaar was, op de rivier. Ze meandert, buigt af, verbreedt, versmalt weer, heeft aftakkingen maar alle monden ze uiteindelijk uit in de zee. Rollin’, rollin’, rollin’ on the river. Op de lange tocht zijn many rivers to cross. En sitting by the riverside levert mooie en minder mooie inzichten op, een beetje zoals sitting by the dock of the bay dat ook doet. De rivier, daar gebeurt het, daar lonken leven en dood. Maar de rivier is ook bedrieglijk, antwoorden zijn er niet altijd te vinden. Bij de oevers houdt zich de River Man op, tot wie Nick Drake zich wendt. If he tells me all he knows / About the way his river flows / I don’t suppose / It’s meant for me.

En dan is er ook nog de rivier in het liedje van Bruce Springsteen, waarin hij de prille liefde van zijn zus en zijn zwager beschrijft alsook de tegenslag in hun latere leven. In de rivier weerspiegelt zich alles waarnaar het jonge stel eens hunkerde. En dan blijkt een rivier uit te kunnen drogen. Wat een bedrog, dat leven. Now those memories come back to haunt me, they haunt me like a curse / Is a dream a lie if it don’t come true / Or is it something worse / that sends me down to the river / though I know the river is dry / That sends me down to the river tonight / Down to the river / my baby and I / Oh down to the river we ride.

We keren aldoor maar terug naar de oever. In gospels (Gonna lay down my sword and shield / Down by the riverside), en in dat liedje van Al Green. Take me to the river / Wash me down / Won’t you cleanse my soul / Put my feet on the ground. Ik moet denken aan India. De heilige Ganges lijkt op de rivieren in die gospel-Delta waarin baptisten hun ziel verschonen en opstaan. We reisden eens naar Rishikesh, het plaatsje dicht bij de bron van de Ganges. Hoewel het aan voet van de Himalaya ligt, en bekendheid geniet als het oord waar de Beatles neerstreken in de ashram van de Maharishi Mahesh Yogi, is het grotere Haridwar met de eer gaan strijken als de plaats waar de rivier ontspringt. Haridwar maakte zich op voor de kumbh mela, het festival waarbij hindoes hun zonden afwassen in het heilige Gangeswater. Omdat de stroom van de rivier heel sterk was, waren overal kettingen en buizen aan de oevers en onderaan bruggen bevestigd. De pelgrims die werden meegezogen konden zich eraan vasthouden en zich onttrekken aan de natuurkracht. Het wemelde er van de saddhus en naga’s, de offers met bloemen en kaarsjes waren door de krachtige stroom binnen een mum van tijd uit het zicht verdwenen. Na afloop kwam een meisje langs met tika-poeder. Mensen besprenkelden elkaar met het heilige water van Moeder Ganga.

Voor de Hokjesman-uitzending over de Hindostanen draaiden we vorig jaar een ritueel waarbij een kleine gemeenschap even voor de kust van Scheveningen een grote kan water in de Noordzee leeggoot. Het water was in een grote jerrycan overgevlogen uit India, waar het aan de Ganges was onttrokken. Een kleine 7000 kilometer had het water afgelegd om het hier weer terug te geven aan Moeder Ganga, die immers via de zeeën in contact stond met al het water op het aardoppervlak. Een beeld dat welbeschouwd even hindoeïstisch als bijbels is. ‘Alle rivieren stromen naar de zee, toch raakt de zee niet vol,’ zo formuleert Prediker het. ‘De rivieren keren om, ze gaan weer naar de plaats vanwaar ze komen, en beginnen weer opnieuw te stromen. Alles is vermoeiend, zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn. De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust. Zijn ogen horen, en ze blijven horen wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon’.

Virginia Woolf

Een dag of wat na mijn laatste Bill Callahan-dag zat ik in de montagekamer te kijken naar de openingsscène van de film The Hours, waarin Nicole Kidman gestalte geeft aan de legendarische Virginia Woolf. Het is een even huiveringwekkende als aangrijpende scène, voortgestuwd door machteloos makende muziek van Philip Glass, waarin de bipolaire schrijfster zich verdrinkt in de Ouse, de rivier waarlangs ze zo veel had gelopen om haar gedachten te laten neerdwarrelen. In haar jas stopt ze een zware steen.

Het is niet verwonderlijk dat Virginia Woolf in haar werk vaak teruggreep naar de rivier, ze was immers een van de auteurs die het concept van de stream of consciousness vervolmaakten. In haar roman Orlando schetst ze het beeld van een bevroren rivier die begint te smelten en het stuwende water dat dat veroorzaakt. De rivier – niet specifiek de Ouse, maar De Rivier – is in veel van haar boeken een plek om na te denken en tot inzichten te komen. Zoals in haar feministische manifest A Room of One’s Own, waarin ze schrijft: ‘Here then was I sitting on the banks of a river a week or two ago in a fine October weather, lost in thought. (..) To the right and left bushes of some sort, golden and crimson, glowed with the colour, even it seemed burnt with the heat, of fire. On the further bank the willows wept in perpetual lamentation, their hair about their shoulders. The river reflected whatever it chose of sky and bridge and burning tree, and when the undergraduate had oared his boat through the reflections they closed again, completely, as if he had never been.’

Na Woolf zelf las ik het boek To the River van haar bewonderaar Olivia Laing. Laing brak in de lente van 2009 met haar vriend en besloot, om op adem te komen, de Ouse van de bronnen in de buurt van Haywards Heath tot de monding in Newhaven te volgen. Een traject van 42 mijl. Ze las en herlas Virginia Woolf maar vond ook veel andere literatuur waarin de rivier centraal stond. Niet zelden was de rivier een stroom van herinneringen. Zo formuleert ze het zelf in haar ode aan de rivier: ‘Een rivier vangt op haar weg door het landschap de wereld en geeft haar dubbel terug: een veranderlijke, schitterende wereld die mysterieuzer is dan die waar we gewoonlijk zijn’. Om even verderop nog meer de kern te raken met: ‘Een rivier heeft, anders dan een meer of de zee, een bestemming en de zekerheid waarmee ze zich een weg baant geeft haar iets troostrijks, zeker voor hen die het vertrouwen in waar ze zelf heen willen zijn kwijtgeraakt’. Tijdens haar zoektocht vond Olivia Laing ook nog iets bij de Poolse dichter en Nobijlprijswinnaar Czeslaw Milosz. Hij schreef: ‘Wanneer het pijn doet gaan we terug naar zekere rivieren.’

Dat is het dus, zo simpel is het. Zoals Joni Mitchell, die in háár River – door de verraderlijke jingle bells in de opening vaak abusievelijk als een romantisch Kerstliedje opgevoerd – terugdenkt aan haar baby die ze eens ter adoptie afstond. Ze verlangt naar een bevroren rivier, zo een als in Orlando van Virginia Woolf, maar dan in Canada. Een rivier om op weg te schaatsen.

En Callahan? Het laatste dat hij uitbracht is een cover van Easy Wind van Grateful Dead, waarin zijn karakter, een noeste arbeider die een innige vriendschap met de fles onderhoudt, hunkert naar een vrouw. Easy wind. Cross the bayou today. There’s a whole lot of women, mama, out in red on the street today. And that river keeps a talkin, but you never heard a word it says. Gelovig is Bill Callahan niet, maar als hij dan toch een religie zou moeten kiezen, zei hij ergens, dan zou hij kiezen voor het animisme. Daar zijn ze weer. Bomen. Wind. Paarden, in galop. Vogels, al dan niet bloedrood. En dan vooral hun vleugels. De trek, de seizoenen. Takken. Water. Maar vooral de rivier. Liefst met hoog gras aan de oevers.

Niet ver van zijn huis bij Austin in Hill Country stroomt de Texaanse Colorado. Op sommige plekken is ze helder als kristal. Hoewel hij onderwijl de nodige stiltes liet vallen – voor de interviewer van The Telegraph leken ze een eeuwigheid te duren – kwam deze overdenking er onlangs coherent uit:  ‘I was always interested in capturing those awful, unflattering things that everybody goes through – those hot moments, captured in ice. Now, it’s not as if it’s happier, it’s just trying to see the big picture, instead of… the little picture’.

In een van de liedjes op Sometimes I Wish We Were An Eagle (2009), zijn album dat aldoor op de repeatknop stond toen ik zelf jaren geleden een crisis doormaakte, zingt hij, dat verbeeld ik mij althans, vanuit de rivier als personage.

She lay beside me like a branch from a tender willow tree
I was as still, as still as a river could be
When a rococo zephyr swept over her and me

She watched the water ripple ripple ripple ripple light
Light watched the water ripple ripple ripple ripple she
I did some kind of dance, jaunty as a bee
I tried to look my best, a finch in wild mint vest
A fiercer force had wrenched her from where she used to be
I caught and caressed the length of her, a tender willow branch floating on me

Well maybe this was all, was all meant to be
Maybe this is all, is all that meant to be
A rococo zephyr crept up and stepped over her and me

Well I used to be sort of blind
Now I can sort of see

En zie, daar kan ik dan weer even mee vooruit. Nu: Aretha Franklin.

 

© Schift, oktober 2016

I Drive A Valence – The Collected Lyrics of Bill Callahan verscheen bij Drag City.

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur en researcher verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman, De IJzeren Eeuw). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek Echo.

SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.