De vega-pioniers van Felixoord


Vandaag de dag is er Eating Animals van Jonathan Safran Foer, in de jaren tachtig klonk Meat is Murder van The Smiths en nog eens tien jaar eerder sloeg Animal Liberation van Peter Singer in als een bom. Maar hoe raakten de generaties die in de jaren veertig en vijftig opgroeiden geïnspireerd door het vegetarisme?

Verscholen in een park aan de rand van het bosrijke Oosterbeek is al bijna 65 jaar Felixoord gevestigd, het enige vegetarische verzorgingshuis van Nederland. Ook het woonpark eromheen, De Ommershof, wordt uitsluitend bewoond door senioren die vegetarisch of veganistisch leven. Ik maakte er kennis mee toen ik research deed voor de uitzending van De Hokjesman over De Dierenvrienden. En tekende de verhalen van de bewoners op.

‘In de hippietijd maakten mijn toenmalige echtgenoot en ik een wereldreis,’ vertelt een van de nieuwste bewoners, Margreet te Gussinklo. ‘Het was 1968, ik was op m’n 23e getrouwd en direct daarna zijn we gaan reizen. Ik was een keurig meisje uit het statige Benoordenhout in Den Haag. Ik herinner me dat we twee maanden in een bungalow in Mexico woonden en dat je daar een hele kip op de markt kon kopen. Zo’n kip moest je dan thuis nog helemaal ontleden en opdelen in stukken vlees, de darmen zaten er nog in. Op reis in die landen was alles zoveel zichtbaarder dan thuis. Ik kwam uit de stad, daar zag je nooit iets, bovendien was vlees een statussymbool. Niet lang daarna waren we in Varanasi, waar aan de heilige Ganges lijken van hindoes worden verbrand. Dat vond ik dan weer zo lekker ruiken, alsof het een barbecue was. Precies het omgekeerde dus. Het idee dat ik enerzijds dode dieren at en tegelijkertijd smeulende lijken van mensen lekker vond ruiken… Het deed me aan kannibalisme denken.’

‘Toen we terugkwamen in Nederland, in ’71, was vegetarisme in een bepaalde scene intussen een beetje in zwang gekomen. Ik ging werken op de Kees Boeke-school in Bilthoven, waar het voortdurend over filosofie en spiritualiteit ging. De teneur in die kringen was: ophouden met dat vlees eten! Ik had uit Afghanistan zo’n Afghaanse jas meegenomen en daar kreeg ik me toch de wind over van voren. Terecht. Ik had daar geen weerwoord op. Het was overigens nog wel ingewikkeld in die tijd om het vegetarisme goed in praktijk te brengen. Je moest, om van alles genoeg binnen te krijgen, naar van die reformzaken en die vond ik truttig en ouderwets.’

Azië

Te Gussinklo (1944) is niet de enige bewoner die de geest kreeg in de hippietijd en al helemaal niet de enige die de vegetarische daad bij het woord voegde na een bezoek aan India. Op de Ommershof wonen ook mensen die nog altijd dromen van een leven in het Verre Oosten. Neem Theunis Limonard (1933), de bewoner die de kruidentuin van het park beheert. ‘Ik had graag ooit naar Azië verhuisd, maar dat is er nooit van gekomen,’ zegt hij in zijn met boeken, wayangpoppen en andere oosterse paraferniala goed gevulde woonkamer.

‘Ik had al als klein kind een extreem hoge gevoeligheid voor alles wat met dieren te maken had. Ik herinner me dat ik van mijn ouders te horen kreeg dat ik het deurtje van het konijnenhok open had laten staan, maar dat was helemaal niet zo. Een tijdje later lagen de konijnen met Kerst op het bord. Ik wist dat toen niet, maar voelde dat er niets niet klopte. ‘Wat is dit?’ vroeg ik. ‘Eet nou maar!’ Bij een vriendje zag ik eens een kip zonder kop. Iedereen stond te lachen, maar ik was geschokt.’

ATheunis‘Het moment waarop ik besloot vegetariër te worden weet ik nog heel goed, op de dag af zelfs. Het was in de oorlog, ik was 11. We woonden in Ede. Tijdens de Slag om Arnhem was mijn vader krijgsgevangene in Duitsland. Er waren bombardementen, en tanks in de straat. Ons gezin vluchtte tijdelijk naar een kleine boerderij. Daar vermaakten mijn broer en ik ons wel. Achter de hooibalen in de schuur leefde een clandestien varken – dat wil zeggen hij was niet geregistreerd. Dezelfde hooibalen waarachter overigens ook onderduikers zaten. Mijn broer en ik raakten bevriend met dat varken. Gedurende twee, drie weken kregen we echt een band met dat dier. Op een dag kwam er een man binnen, klom over de omheining, trok z’n pistool met zo’n pen en schoot het varken door het voorhoofd. Daarna werd het dier gedemonteerd. Die ervaring heeft bij mij de doorslag gegeven. Mijn moeder wilde er niet veel van weten, maar ik was standvastig en beslist. Ik zou nooit meer vlees eten. Dat was psychologisch domweg onmogelijk geworden. Ik wilde geen dieren eten die voor mij gedood werden.’

‘Tot Animal Liberation had ik mij altijd een allochtoon gevoeld in de samenleving. Ik rookte niet, at geen vlees, ik was bij feestjes de eeuwige outsider.’

‘Ik kom uit een gereformeerde familie, ik vond religie interessant en ging me steeds meer verdiepen in andere stromingen, niet alleen de andere christelijke denominaties, maar ook jodendom, islam en vooral hindoeïsme. Ik volgde een opleiding in Deventer om planter te worden. Daar kreeg ik op zeker moment les in ‘het geestesleven van de Indonesiër’ en leerde er een Indiër uit Bengalen kennen, een hindoe uit een hogere kaste die tot op de dag van vandaag mijn beste vriend is. Ik ben min of meer indofiel geworden. In de jaren vijftig emigreerde ik naar Canada, en ging er aan de universiteit landbouw studeren, specialisatie plantenziekten. Nadat ik m’n bachelor had gehaald overleed m’n vader hier in Nederland. Ik ben teruggekeerd om voor m’n moeder en m’n kleine broertje – een nakomertje – te zorgen en ging verder studeren in Wageningen, waar ik ingenieur werd. Voor mijn werk ben ik later veel in de tropen geweest. Mijn dochter is in Suriname geboren.’

‘Ik ben niet zweverig, maar filosofie trekt me. En vegetarisme is in het oosten wijd verbreid. Niet iedere hindoe is vegetariër, maar het is wel volstrekt normaal als je het bent. Het hindoeïsme heeft het ook weer van allerlei eerdere filosofieën. Het jaïnisme bijvoorbeeld was er al eerder dan het hindoeïsme. Dat was een beschaving waarin ook geen vlees nodig was, er was voedsel genoeg. Ahimsa is het centrale woord. Gandhi heeft dat naar het westen gebracht. Ahimsa – geweldloosheid en eerbied voor al wat leeft – is wat mij betreft de filosofische basis voor vegetarisme. Als je jezelf ten opzichte van het totaal plaatst, als je zoekt naar de zin van het bestaan, dan beland je als vanzelf bij ahimsa vind ik. Dat, tezamen met het wetenschappelijk werk van Darwin: het besef dat wij ook dieren zijn. Het is één familie, het is een eenheid.’

‘Een vegetariër moet ook respect hebben voor planten. Daarvan zijn we immers afhankelijk. Als we geen vlees eten moeten we het van de planten hebben. Zo parasiteren we. Anders dan bij planten heb je bij dieren echt een gevoel. Mensen zijn zo hoogmoedig dat ze denken dat ze de enigen zijn die bewustzijn hebben. Maar uit onderzoek blijkt hoe zeer bijvoorbeeld olifanten hun mede-kuddedieren kunnen troosten. Dat ontwikkelt zich, ook dat is evolutie. Natuurlijk zijn mensen ooit vleeseters geweest. Maar landbouw maakte het overbodig, en daarna volgde het bewustzijn. Dat geeft verantwoordelijkheid.’

‘Pas in de jaren zeventig kwam daar een heel andere grondslag voor vegetarisme bij. Animal Liberation van Peter Singer is een heel belangrijk boek. Hij was de eerste die specicisme zo duidelijk benoemde: een dier is niets minder dan jij. Hij brak het hele concept totaal af waarbinnen een jager die dieren doodschiet met droge ogen kon blijven beweren dat hij van dieren houdt. Of een varkenshouder die zegt dat hij zo goed voor z’n dieren zorgt en om ze geeft. Die kromme redeneringen, die zette Singer filosofisch recht. In voeding zijn mensen per definitie conservatief – wat een boer niet kent dat vreet ie niet – maar Singer en zijn navolgers gaven je allerlei instrumenten in handen waarmee je mensen desondanks kunt bekeren. Tot dan toe had ik mij altijd een allochtoon gevoeld in de samenleving. Ik rookte niet, at geen vlees, ik was bij feestjes de eeuwige outsider. Bij het stranden van mijn eerste huwelijk speelde het vegetarisme een rol. Ze deed het voor mij, vegetarisch zijn, dat kon natuurlijk op den duur niet goed gaan. De tweede keer dat ik trouwde verzekerde ik mij van een overtuigd vegetarische vrouw! Ze zat in het bestuur van de stichting van Felixoord. Toen ze overleed, in december 1999, had ik het voorrecht om hier meteen een bungalow te krijgen.’

Ceremonie

Met de jains, waaraan Limonard refereert, maakte ik zelf ook kennis in India. In het grote Jaintempelcomplex in Ranakpur woonden we ooit een ceremonie bij waarbij twee mannen – een jongen van 18 en een man van rond de 60 – werden ingewijd tot monnik. Vanuit felgekleurde tenten, waar vroeg in de ochtend al gedanst werd op uitbundige muziek, werden de twee mannen op de schouders getild en naar een kleine achteraf-ruimte gebracht waar een belangrijk initiatie-rite zou plaatsvinden: kesa-loca, het verwijderen van het haar en het aantrekken van de monnikskledij. Het verwijderen van het haar ging niet zachtzinnig. De nieuwe monnik werd door een aantal mannen kaalgeplukt, als was het een kip die door andere kippen werd kaalgeplukt. Er kwam geen schaar of scheerapparaat aan te pas – Jain-voorschrift. Zo mogen de monniken en hun naasten met het oog op ascese ook geen voertuigen gebruiken. Een vriend van de 18-jarige vertelde me in twaalf dagen vanuit Mumbai te zijn komen lopen om de gebeurtenis bij te wonen. De Jains zijn strenge veganisten; er mag niets van leer het tempelcomplex binnen en veel gelovigen dragen een mondkapje om geen insecten in te slikken en gebruiken een klein zwabbertje om de grond voor zich vrij te vegen van insecten.

jainRadicale geweldloosheid kan dus ook samengaan met zelfkastijding. De Jains met hun zwabbertje, ahimsa, het moet haast wel een van de inspiratiebronnen zijn geweest voor de vegetarische beweging die eind 19e eeuw opkwam. Het was overigens toen nog maar sinds kort dat die term vegetariër in gebruik was genomen. Tot halverwege de negentiende eeuw sprak men nog van ‘Pythagoreërs’, naar de Griekse wijsgeer en wiskundige Pythagoras die het eten van vlees al in de vijfde eeuw voor Christus afzwoor.

De negentiende eeuw had voor een belangrijk deel in het teken gestaan van de vooruitgang. De industrialisatie, de komst van de trein, de telefonie, de fotografie, de wetenschap. En ineens veroorzaakte al die modernisering ook onrustige gevoelens. Het was alsof die zegetocht van de wetenschap en technologie, zoals de Duitse socioloog Max Weber dat zo mooi verwoordde, had gezorgd voor de ‘onttovering van de wereld’. En op dat besef konden weer duizend bloemen bloeien. Veel van wat we later de tegenbeweging noemden vindt haar oorsprong in het fin de siècle. Van de natuurbeweging tot droomanalyse, van het spiritisme tot pacifisme; er viel voor de proto-hippies veel te ontdekken. En in die woelige jaren maakte ook het vegetarisme een comeback.

Twee schrijvers spelen daarbij een onmiskenbaar grote rol: Frederik van Eeden en Felix Ortt. Dat Van Eeden – schrijver, psychiater, filosoof, meest bekend van zijn roman Van de Koele Meren Des Doods – zich ook door ahimsa liet inspireren, mag alleen al blijken uit zijn allegorische sprookje De Kleine Johannes, een boek dat lang op de leeslijst van scholieren heeft gestaan. Het is een sprookje over de overgang van kindertijd naar volwassenheid, en al wat daarbij verloren gaat. Dichter Leo Vroman noemde het in NRC Handelsblad eens zijn beslissende boek. ‘In De Kleine Johannes wordt over de volwassenen gezegd dat ze niet genoeg keken en bewonderden. Ik kan geen insect meer plattrappen, nu ik weet hoe ingewikkeld en mooi zo’n beestje is binnenin; het is afschuwelijk om dat stuk te maken. Wat in tegenstelling is tot de kleine Johannes, die niets hoefde te weten. Hij sprak wel de taal van dieren en planten.’

In De Kleine Johannes roert Van Eeden ook de vivisectie aan, ook in die dagen al een heet hangijzer. In het boek dwingen Pluizer en Dokter Cijfer, de personages die symbool staan voor de wetenschap en de rationaliteit, Johannes om mee te doen aan een dierproef bij een konijn, nota bene het konijn waar hij tegenaan had gelegen in de eerste nacht met zijn geliefde elf Windekind. ‘En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren, en het heil van de mensheid en van de wetenschap gaat boven dat van enige konijnen. ‘Hoor je!’, zei Pluizer, ‘de wetenschap en de mensheid!’ ‘De man der wetenschap,’ ging de dokter voort, ‘staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden die de gewone mensen kennen laten vallen voor dat ene grote: de wetenschap.’

Frederik van Eeden heeft gedurende een aantal jaren de mond vol van het vegetarisme. In Het Vegetariaat (1896) schrijft hij: ‘Er wordt te veel getwist over de vraag of vleeseten nuttig en gezond is, en of het menselijk organisme voor vleesvoeding bestemd is. Dit is in ‘t geheel de vraag niet. Menseneten is misschien ook nuttig en gezond. Waarom twist niemand dáárover? ‘t Is evenzo met de vivisectie-kwestie. Men schrijft veel om te betogen hoe nuttig en voordelig vivisectie is. Maar wat gaan mij nut en voordeel aan als de zaak slecht is? Waarom betoogt niemand het nut en voordeel van vivisectie op mensen of kinderen? Het is duidelijk dat niemand kannibalisme of mensen-vivisectie durft bepleiten omdat de afschuw van deze dingen algemeen en overwegend is. Om geen andere reden. Ware het dus met de afschuw van vleeseten en dieren-vivisectie evenzeer gesteld, dan was alle verdere betoog overbodig. Dat zulk een tegenzin bestaat is duidelijk genoeg, dat zij algemeen is kan evenmin betwijfeld worden. Wel bijna elk normaal, volwassen individu in onze maatschappij heeft tenminste de sporen van een instinct dat hem zou weerhouden dieren te kwellen of te doden en dat hem doet walgen van – ontoebereid – vlees. En nu is de hoofdvraag deze: waarom en waardoor wordt dit instinct verwaarloosd en onderdrukt? En is dit zoals ‘t behoort? Op deze vraag komt het aan.’

Maar Van Eeden is een grillige man, die voortdurend worstelt met de gapende kloof tussen hooggestemde idealen en de weerbarstige praktijk. Op reis in het buitenland merkt hij al snel hoe ingewikkeld het is zijn nieuwe levensstijl in stand te houden. Het is net als met zijn verheven ideeën over de geestelijke liefde, ook die houden nooit lang stand. Het vlees is zwak.

Een fontein van bloed

Anders dan Van Eeden, die het vegetarisme uiteindelijk laat varen, houdt Felix Ortt consequent vast aan zijn beginselen. Er is een fragment uit zijn tendensroman Naar het groote licht (1899) dat aannemelijk maakt dat zijn afkeer van vlees vele malen doorleefder was. Hoofdpersoon Frits van Beers herinnert zich dat hij in zijn jeugd met een paar slagersjongens de slachting van os gadeslaat. ‘O, daar gaat het er doorheen, ’t scherpe mes, heen en weer als een zaag diep in den hals. Een vreeselijk rochelend gebrul, een fontein van bloed, neerspattend op de knechts en op ’t plaveisel, een wanhopig slaan met kop en pooten, de gapende halswond. Frits kon ’t niet langer aanzien, hij voelde zich misselijk en duizelig.’

Voor Ortt, die ook de tekst leverde voor het curieuze Vegetariërlied (‘De zegepraal wacht u aan het eind van een strijd’), was geen excuus denkbaar voor het eten van vlees. In deze tijd had hij het misschien goed kunnen vinden met iemand als Morrissey, die bijna dertig jaar na het militante Meat is Murder nog altijd geen gelegenheid voorbij laat gaan vleeseters op gelijke hoogte te stellen met verkrachters of nazi’s. Toen hij een paar weken geleden optrad in Tivoli-Vredenburg liet hij contractueel vastleggen dat er die dag geen vlees in het gebouw aanwezig zou zijn. Ook deelnemers aan het Liszt Concours die in de Hertz-zaal spelen hadden bijgevolg de keus uit humus en avocado bij de lunch.

Het opleggen van zo’n vleesloos regime deed me sterk denken aan de actie die we bij de VPRO op poten zetten ter gelegenheid van de thema-avond Vis noch vlees (2011). Programmamaker Britta Hosman bewoog hemel en aarde om de kantine van het VPRO-, VARA- en NTR-personeel vleesvrij te krijgen. Niet door de behoefte daaraan te polsen, maar door van de ene op de andere dag het aanbod strikt vegetarisch te houden. Men mocht cold turkey afkicken. Uit de soms ontluisterende reacties, geregistreerd met verborgen cameraatjes, bleek hoe diep bij sommigen de gehechtheid aan vlees zat. Het moet niet lang na het werken aan die uitzending zijn geweest, waaraan als ik het me goed herinner Eating Animals van Jonathan Safran Foer ten grondslag lag, dat ik zelf besloot te stoppen met het eten van vlees en vis.

In de tijd van Felix Ortt was er niet Safran Foer, maar Leo Tolstoj. Ortt was de broer van Henriëtte, de eerste liefde van Frederik van Eeden. Hij was een adept van Tolstoj, de Russische vegetarische schrijver van monumentale romans als Oorlog en Vrede en Anna Karenina die een goeroe-achtige status had verkregen. Liever dan Tolstojanen bestempelde Ortt zijn volgelingen en zichzelf tot ‘christen-anarchisten’. Net als bij Tolstoj was het pakket bij de christen-anarchisten veelomvattend: anti-militarisme, geen alcohol, geen tabak, voor een vrij huwelijk maar tegen ongebreideld seksueel genot.

Het klinkt nu als een vroege voorloper van straight edge, de harcore-punk-beweging rond de groep Ian MacKaye en zijn groep Minor Threat die er een kleine eeuw later (jaren tachtig van de twintigste eeuw) vergelijkbare strenge strandpunten op nahield. Op de Blaricumse heide stichtte Ortt net als Van Eeden een commune, de Kolonie van Internationale Broederschap. En net als bij Van Eeden, die de kolonie Walden stichtte in Bussum, liep dat niet goed af door zowel de onderlinge verhoudingen als de reacties van de buitenwacht. Maar Ortt kan gerust de grondlegger van het vegetarisme in Nederland genoemd worden. Hij richtte in 1894, naar Brits voorbeeld, de Nederlandse Vegetariërsbond op en was voorman van de Rein Leven-beweging. Rond de eeuwwisseling verschenen de eerste vegetarische restaurants in de grote steden. De gezondheidscultus deed zijn intrede. ‘Een vegetarische levensopvatting,’ zei Ortt in 1912, ‘is een zodanige die lichaam, ziel en geest gezond en krachtig wil houden en steeds krachtiger en gezonder wil doen ontwikkelen.’

Felixoord

Het verpleeg- en verzorgingshuis in Oosterbeek, dat aanvankelijk in een oude kostschool was gevestigd, is naar Ortt vernoemd en draagt de naam Felixoord. In de centrale hal van het gebouw hangt zijn grijs bebaarde portret. Er woont een zeventigtal mensen, van wie een deel op een gesloten afdeling voor Alzheimer-patiënten. In Felixoord, zo wordt me verzekerd, wordt veel geschilderd, tai chi beoefend, en gezongen aan de piano in de mooie muziekkamer boven. In het restaurant staan vandaag selderijsoep, Chinese kool, macedoine, linzenkoekje, champignons en quinoa op het menu. Vlakbij de ingang is een heel klein dierenparkje, althans dat was het. Vroeger liepen er ook kippen en geiten, maar nu staat er nog welgeteld één pony.

De pioniers van Felixoord en De Ommershof zullen het een voor een beamen: de stap naar vegetarisme was vroeger bepaald niet zo makkelijk als nu, zeker niet waar het gaat om de sociale verhoudingen met de omgeving die vlees blijft eten. In Het Bureau heeft J.J. Voskuil, oprichter van Varkens in Nood maar geen vegetariër, daar mooi over geschreven. ‘Het was zonnig,’ schrijft hij ergens in het vierde deel van de cyclus. ‘Langs en op de Amstel was het druk: auto’s, motorboten, hengelaars, een doodenkele fietser. Op een gazon voor een boerderij stond een klein kalf, een dik touw om zijn nek, vastgebonden aan een pin in de grond, een te klein kalf, met een te grote kop en een te dik touw. Hij keek ernaar onder het langsrijden en voelde zich treurig worden. Hij vermoedde dat het kalf op de slager stond te wachten en hij verweet zichzelf geen vegetariër te zijn. Moest hij Nicolien voorstellen om over te gaan op het vegetarisme? En wat moest de slager daarvan denken als ze zonder naar binnen te gaan langs zijn winkel liepen? Moesten ze hem dan niet officieel gaan meedelen dat ze vegetariër waren geworden? Het was een benauwende gedachte dat er zelfs voor de overgang tot het vegetarisme sociale moed gevraagd werd.’

Veel van de ouderen in Felixoord zijn geestelijk niet meer in staat om me te woord te staan over hun vegetarisme. Maar in de omliggende bungalows komen de verhalen van de bewoners los. Kees en Atie Olff, daar moet je mee gaan praten, hoor ik een aantal keer. Het koppel, dat ook figureert in de mooie film 69: Liefde Seks Senior van Menno Laura Meijer, tref ik niet huis. Wel kom ik in contact met Anke Stavast, die onder meer voorzitter is van de cliëntenraad van Felixoord.

AAnke‘We kenden dit woonpark voor vegetariërs al van de advertenties die altijd in het blaadje van de Vegetariërsbond stonden,’ zegt ze. ‘Op een gegeven moment hebben mijn man en ik tegen elkaar gezegd: wat doen we straks, op wie kunnen we terugvallen als we ouder worden? We hebben geen kinderen. Heel rationeel zochten we naar een plek waar het volstrekt vanzelfsprekend is dat je vegetariër of veganist bent. Sowieso leek het ons aantrekkelijk om op latere leeftijd meer in een gemeenschap te gaan wonen, onder gelijkgestemden. Hoewel een groot kenmerk van vegetariërs is dat ze heel individualistisch zijn, is het echt een dorp, met alles erop en eraan: geroddel, gezamenlijke wandelingen, muzikale bijeenkomsten in de muziekkamer van Felixoord.’

‘Wat vegetarisch is en wat niet, dat is mijn hele leven al onderwerp van gesprek. Die grenzen verschuiven steeds. Je ziet hier op de Ommershof groepen mensen die om heel verschillende redenen vegetariër zijn geworden. Ik behoor tot de mensen die op zeker moment in hun leven geen vlees meer wilden eten omdat ze het onethisch vinden, maar ik denk dat ongeveer de helft van de bewoners hier vegetariër is uit religieuze overtuiging. Ik vind het een wonderlijk fenomeen dat de religieus geïnspireerde vegetariërs hier eigenlijk neerkijken op dieren. Ze staan zelf als mensen dichter bij hun opperwezen dan de dieren, ze mogen ze alleen van de leer niet eten. Ik heb daar niks mee. Voor mij zijn mensen en dieren gelijk. Er wonen hier nog altijd veel Rozenkruizers, dan heb je een aantal volgelingen van de omstreden goeroe Sai Baba en een enkele volgeling van Osho. Ik ken ook een paar India-gangers die niet zozeer religieus bevlogen zijn geraakt daar maar toch als overtuigd vegetariër terugkeerden na een bezoek aan dat land. Het leidt wel eens tot wat wrijving hier tussen die verschillende groepen. Mij werd toen ik hier kwam wonen door vertegenwoordigers van de religieuze groeperingen de maat genomen, zo van: jij bent geen echte vegetariër. Terwijl ik mij juist een echte vegetariër voel, omdat ik het vanwege het dierenleed ben geworden, niet omdat een of andere hogere macht mij dat opdraagt.’

‘In deze tijd kun je als gemiddelde krantenlezer niet voorbij aan dierenleed en wantoestanden in de vee-industrie, maar in die tijd werd je er beslist niet als vanzelf mee geconfronteerd. Je moest er echt naar op zoek.’

‘Ik geloof niet in een hogere macht, ik ben humanist. Als meisje al wilde ik eigenlijk geen vlees eten, maar mijn ouders wilden daar niks van weten. Ik had een diepe weerzin tegen het eten van dieren maar kon daar geen gehoor aan geven. Ik suste mijn geweten door zogenaamd ‘schijnvlees’ te eten, dat waren bijvoorbeeld gehaktballetjes waarvan de herkomst niet duidelijk was en niemand wist wat er nou eigenlijk precies inzat. Later, eind jaren vijftig, kwam ik bij de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en daar leerde ik echte vegetariërs kennen. Dat bleken allemaal heel vitale, gezonde jongens te zijn. Ook bij de AJC’ers – de socialistische jeugdbeweging – had je een vegetarische tak in die tijd. Dat waren dus ook allemaal mensen die niet om levensbeschouwelijke redenen vegetariër werden, maar uit bewustzijn over dierenwelzijn. Er was voor mij op dat moment geen houden meer aan. Toen ik mijn man leerde kennen bleek dat hij ook helemaal niet van vlees hield – hij at eigenlijk alleen maar pannenkoeken, haha – dus de keuze was snel gemaakt.’

‘Het was in die tijd volstrekt ongebruikelijk om vegetariër te worden. In deze tijd kun je als gemiddelde krantenlezer niet voorbij aan dierenleed en wantoestanden in de vee-industrie, maar in die tijd werd je er beslist niet als vanzelf mee geconfronteerd. Je moest er echt naar op zoek. Ons standpunt werd niet altijd gewaardeerd, net als ons besluit om geen kinderen op de wereld te zetten overigens. In de vroege jaren zeventig had het voor ons misschien voor de hand gelegen om hippie te worden. Maar dat werden we niet. We woonden niet in Amsterdam, ik kwam uit Alkmaar, en bovendien hadden we allebei zulk keurig werk – dat verhield zich niet goed tot elkaar. Mijn man had een nette baan – in driedelig grijs, bij IBM – en ik was medisch maatschappelijk werkster in het ziekenhuis. We waren en zijn niet echt types die zich ergens tegen afzetten. Ik heb nooit echt zendingsdrang gehad. We werden wel lid van al die clubs hoor, de Vegetariërsbond, De Goede Aarde van Roel van Duijn, Milieudefensie enzovoorts, maar daar bleef het bij. Als het om uit eten ging was Amsterdam in de jaren zeventig voor de vegetariër het walhalla. Je had er een restaurant – ik weet de naam niet meer, het is allang verdwenen – waar je op van die lange houten banken zat en daar hadden ze toen al zulk schitterend vegetarisch eten. Geweldig was dat, dat dat kón! Thuis was het vegetarisch koken in die jaren behoorlijk aanmodderen, continu moest je in de gaten houden of je wel voldoende vitaminen binnenkreeg. En dan hadden we ook nog van die drukke banen. Je stond je wezenloos te koken. Zelf peulvruchten maken, weet je wel. De Vegetariërsbond had ik toen ook nog echt nodig voor tips. Ik kook nog steeds graag. Aan de modieuze vleesvervangers doe ik niet, ik zie dat als een soort methadon, voor mensen die verslaafd zijn aan vlees en een schijf die op de vertrouwde hamburger lijkt nodig hebben om af te kicken. Ik vind ze meestal nergens naar smaken. Ook met cosmetica was het in die tijd trouwens nog heel ingewikkeld: hoe wist je zeker dat iets echt proefdiervrij was?’

Doemdenkers

‘Dierenwelzijn heeft bij ons altijd voorop gestaan, iets wat bepaald geen vanzelfsprekendheid is hier op het woonpark en ook niet in zorgcentrum Felixoord. In de kennissenkring hadden we eigenlijk nauwelijks vegetariërs, we kwamen ze ook nooit tegen tijdens vrijetijdsactiviteiten. We hebben er ook altijd voor gekozen om niet steeds de discussie aan te gaan met mensen. Laat iedereen zelf maar kiezen. Wij staan niet negatief in de maatschappij, we zijn ook geen doemdenkers zoals je soms nog wel eens ziet onder strenge vegetariërs. Ik vind de tijd waarin we nu leven ook interessant omdat het aan de ene kant een verschrikkelijke tijd is – denk alleen al aan al die bezuinigingen in de ouderenzorg – maar aan de andere kant is er veel ruimte voor nieuwe initiatieven en zie je dat veel mensen bewuster omgaan met voedsel en dergelijke.’

‘Omdat onze kat hier vogeltjes ving in de tuin ben ik ‘m eendagskuikentjes gaan voeren zodat hij niet meer naar ze omkeek.’

‘We hebben nu nog één kat. Uit het asiel natuurlijk. Bij m’n vorige katten heb ik het wel geprobeerd met vega-voer, maar ik vond dat toch raar, een kat is een roofdier. Omdat hij hier vogeltjes ving in de tuin ben ik ‘m wel eendagskuikentjes gaan voeren zodat hij niet meer naar ze omkeek. Nu vind ik: een kat is door ons gedomesticeerd, maar heeft een heel ander darmkanaal, ik moet een dier niet opdringen wat ik als mens kies. Het grappige is dat de enige kat die we nu nog hebben geen vlees lust! Die hoort dus echt bij ons.’

‘Ik ben 68 nu, mijn man is 70. Voor hier zijn we ‘jong’. Ondanks de grote verschillen vind ik leuk, al die denkwijzen die hier samenkomen. In het begin was ik een beetje teleurgesteld door al die religieuze mensen, maar nu voel ik me hier thuis. We heten niet voor niets Stavast. Er zijn nu eenmaal mensen die met de beentjes op de grond blijven en mensen met een lijntje naar boven.’

Verraad

Anders dan Anke Stavast en haar man, heeft Margreet te Gussinklo wel kinderen grootgebracht. ‘Pas toen we kinderen hadden werd het vegetarisch leven soms echt lastig. Ik heb mijn zoon en dochter vegetarisch opgevoed, maar mijn zoon hield het op een gegeven moment niet meer. Toen hij in de puberteit kwam en bij vriendjes at leerde hij vlees kennen, hij werd er echt nieuwsgierig naar. Wat is dat andere dan, wat hebben zij dat wij niet hebben? Ik haalde wel eens een enkele keer een diervriendelijke rookworst voor hem. Dat voelde als verraad, als slapte. Maar ik vond dat net iets minder belangrijk dan de rust en goede sfeer in huis.’

‘Ik heb het, moet je nagaan, zelfs als ik een pompoen aansnijd. Dat mes dat je er dwars doorheen steekt, voor mij heeft dat met geweld te maken.’

‘Mijn dochter is wel altijd vegetarisch gebleven, die heeft zich op dat punt niet hoeven afzetten tegen haar ouders. Ik heb overigens vlees nooit vies gevonden. Uit beleefdheid at ik nog wel eens een piepklein stukje als ik bij m’n zus op bezoek was. Dat doe ik niet meer. Maar die totale weerzin tegen de geur van vlees, dat heb ik nooit gehad. Gisteren reed ik nog met een vriend in de trein langs Olst en Wijhe waar van die worstfabrieken staan. De vleeslucht kwam door de airconditioning. Hij vond dat echt naar, ik heb daar niet zo’n moeite mee. In de kern is het bij mij: het dier gaat me te veel ter harte, vlees eten is en blijft dierenmoord. Het is me ook te gewelddadig. Ik heb het, moet je nagaan, zelfs als ik een pompoen aansnijd. Dat mes dat je er dwars doorheen steekt, voor mij heeft dat met geweld te maken.’

Na haar scheiding wilde ze graag naar een omgeving te gaan met andere vegetariërs. ‘Ik ben begaan met het leven in al z’n vormen. Ik heb niks met paarden, maar als ik naast een paard ga staan, echt heel dichtbij, dan voel ik me tien keer beter. Zo´n paard straalt iets uit. Licht en lief. Mijn eigen kat ook. Er is een gevoelsband die er gewoon is, waar niets voor nodig is. Er zit niet die moeilijke psyche tussen, zoals bij mensen. Onze psyche vertroebelt alles altijd zo. Met dieren is het makkelijker.’

De bewoners van de Ommershof zien opmerkelijke nieuwe tendenzen onder jongere generaties vegetariërs. Behalve een verschuiving naar veganisme is ook de rol van een ander fenomeen steeds groter geworden: het dierenactivisme, dat voor een belangrijk deel voortvloeide uit de opkomst van de bio-industrie. Het verschijnen van Animal Liberation (1975), het baanbrekende boek van Australische filosoof Peter Singer, bekende indertijd ook het startschot voor het dierenactivisme. Animal Liberation werd niet alleen beleden maar steeds vaker ook letterlijk genomen. Bevrijdingsacties kregen, vooral in de jaren tachtig en negentig, een steeds grimmiger karakter. Sinds de focus op de bio-industrie zijn vergelijkingen met Auschwitz bij de harde kern activisten niet van de lucht. Het zijn de dierenactivisten waar uiteindelijk de uitzending van De Hokjesman zich op toespitst.

Anke Stavast: ‘Een activist ben ik niet, maar ik teken wel altijd de petities. Voor asieldieren, tegen inhumane veetransporten enzovoorts. Ik heb sympathie voor echte dieractivisten, zolang ze geen geweld gebruiken. Filmpjes verspreiden over wantoestanden juich ik toe. Zelf zou ik nooit de barricaden opgaan.’

Theunis Limonard: ‘Veganisme was mij tot nu toe altijd een brug te ver. Ik heb altijd gezegd ‘Als iedereen vegetariër is, word ik veganist’. Om praktische redenen ben ik er nog niet toe over gegaan. Bij kleding, zoals schoenen, heb ik mezelf ook altijd voorgehouden: er worden nu eenmaal dieren geslacht. En die huiden, waar ga je daarmee doen? Het radicale activisme, daar heb ik wel wat moeite mee. Als je niet uitkijkt word je zelf gewelddadig. In jedem Engel steckt ein Teufel. Als je alles consequent doorvoert ga je slagers doodschieten, dat kan natuurlijk niet. We leven in een overgangstijd. Dat hele idee van ‘na de slaven, de vrouwen en de homo’s is het de beurt aan de dieren’ komt ook van Singer. Ik maak dat niet meer mee, dat dieren echt bevrijd zijn van ons. De grootste plaag waar de wereld mee kampt is nog altijd de overbevolking.’

Ook op de Ommershof wonen inmiddels mensen met een activistisch verleden. Onder wie de nog altijd strijdbare Anita Laverman. ‘Slechts een klein deel van de bewoners hier is echt begaan met dieren,’ zegt zij resoluut. ‘De Rozenkruizers meestal niet, die zijn alleen solidair met elkaar. Ik ben geboren met dierenliefde. Mijn moeder verweet mij dat het eerste woord dat ik zei niet ‘mamma’ was, maar ‘poes’. Ik had als klein kind al een enorme aversie tegen vlees. Vooral vlees dat herkenbaar van een dier was, zoals een hele vis. Toen ik colleges volgde was er in de kantine een aparte tafel waar studenten zaten die geen vlees eten. Daar hoor ik bij, wist ik. Toen ik in Amerika psychologie ging studeren zat ik daar intern. Er waren nog geen vleesvervangers, en ik ging daar fysiek aan onderdoor, kreeg te weinig eiwitten binnen. Zodra ik zelfstandig ging wonen ben ik volledig vegetarisch gaan eten, vanaf m’n 23e was dat. Uit noodzaak, soms op reis, at ik nog een klein beetje vlees omdat ik anders problemen met m’n bloedsuikerspiegel zou krijgen. Het was niet ingewikkeld, wel monotoon. Altijd maar eieren, kaas, yoghurt en noten. Veganisme zat er voor mij niet in, omdat ik een voedselallergie heb voor de meeste granen.’

‘Ik vind het soms moeilijk om het doorlopende besef van al dat dierenleed buiten te sluiten, over alles in het leven hangt altijd die schaduw. Ik bekijk dieren in termen van bewustzijn. Hoe meer bewustzijn een dier heeft hoe meer het mij doet. Een mishandelde tor doet mij minder dan een mishandelde hond, of vis, maar je zal bij mij geen vliegenmepper vinden. Het enige wat ik doodmaak zijn vlooien en luizen en dergelijke parasieten, maar zelfs dat vind ik heel onprettig om te doen. Ik kan het niet over m’n hart verkrijgen om soortgenoten – en zo zie ik alle dieren – op te eten. Dat is toch een vorm van kannibalisme. Ik ben opgeleid als psycholoog maar in mijn werkend leven heb ik nooit zoveel voldoening gehaald uit dat vak als uit mijn werk voor dieren. Ik nam altijd al zwerfdieren mee om ze thuis te verzorgen, zwangere zwerfkatten enzovoorts. Toen ik na m’n 34e een stofwisselingsziekte kreeg kon ik niet meer volledig werken en heb ik al mijn resterende energie voor dieren ingezet. Ik sloot me aan bij een Amsterdamse dierenbeschermingsorganisatie, waarvan ik meer dan dertig jaar bestuurslid ben geweest. Wij deden alles wat ‘de’ Dierenbescherming liet liggen. De Dierenbescherming, die doet wel gewichtig vanachter de vergadertafel maar aan echt handelen ontbreekt het nogal eens. Het enige wat ze me na jaren soebatten aanboden is dat ze een deel van de dierenartskosten betaalden.’

‘Hoewel we elkaar dus niet echt goed kenden, maakte ik deel uit van een groep dierenactivisten. Het had veel weg van verzetswerk, een ondergrondse beweging. De hoofdfiguren kwamen wel eens in de media en droegen dan bivakmutsen.’

‘Voor het Dierenbevrijdingsfront ving ik thuis dieren op. Ze hadden een heel opvangadressen-systeem en daar maakte ik deel van uit. Dan belden ze weer: hoeveel vivisectie-beagles kun je hebben? Doe mij er maar vier. Door die opvang-activiteiten kwam ik in het hart van de scene, waar iedereen overigens behoorlijk anoniem was – we kenden elkaar alleen bij voornaam. Die vier beagles brachten ze me dan huilend, omdat ze er nog tientallen in het laboratorium achter hadden moeten laten. Maar ja, ik kon niet meer hebben dan ik aankon in mijn woning. Supermarkten plakte ik vol met stickers van Lekker Dier. Hoewel we elkaar dus niet echt goed kenden, maakte ik deel uit van een groep dierenactivisten. Het had veel weg van verzetswerk, een ondergrondse beweging. De hoofdfiguren kwamen wel eens in de media en droegen dan bivakmutsen. Dat van die nertsen die werden losgelaten zonder dat ze naar een opvangplek werden gebracht, dat is trouwens niet het Dierenbevrijdingsfront geweest. Dat zijn vast jaloerse nertsenhouders geweest, die dat hebben gedaan.’

‘Toen ik hier kwam had ik twee honden, zes katten en een papegaai. Ik ben 78, dus ik begin niet meer aan nieuwe dieren. Ik heb nu alleen nog een hond, hij is drie. Daar voel ik me wel een beetje schuldig over, want ik kan niet beloven dat ik tot het eind toe voor ‘m kan blijven zorgen. Ik heb het wel netjes geregeld hoor, ik weet waar hij heengaat als ik er niet meer ben of niet meer in staat ben voor hem te zorgen.’

‘Mijn hond geef ik hondenvoer waarin ook slachtafval wordt verwerkt. Ik troost me met de gedachte dat dat geen vlees is waarvoor dieren speciaal worden gefokt.’

‘Toen ik hier kwam wonen dacht ik: ik word echt onderdeel van een groep van gelijkgestemden, een gemeenschap. Daar had ik behoefte aan. Dat is me niet meegevallen. Er is wel een blaadje, waarin tips voor voeding worden uitgewisseld, er is een praatgroepje waarin bij voorbeeld thema’s rond ouderdom worden besproken. Er is hier een tijdje een Rozenkruizer aan het bewind geweest, dat was een dictatuur, ze liet bij voorkeur Rozenkruizers toe maar ook mensen die niet strikt vegetarisch waren. Sinds Woonzorg de eigenaar is gaat het weer goed.’

‘Over de toekomst ben ik niet optimistisch. Sterker, ik weet niet zeker of onze beweging over twintig jaar nog bestaat. Ja, in Nederland wel, maar ik kan me in m’n hoofd maar niet beperken tot onze landsgrenzen. Zei ik beweging? Ja, ik maak deel uit van een beweging, zo zie ik het. Ik heb geprobeerd daar mijn steentje aan bij te dragen.’

Anke Stavast is optimistischer. Om meer bekendheid te geven aan Felixoord nam ze eerder dit jaar contact op met de organisatoren van evenementen als VegFest en Veggie4U. Nu zorgorganisatie Icare zich beraadt zich op de toekomst van het onder haar bewind vallende Felixoord werd het tijd voor een handtekeningenactie, vond ze. Dat werd een succes. En het bijkomend effect was dat haar één ding duidelijk werd. ‘Zoals wij in de jaren zeventig de pioniers waren van het vegetarisme,’ zegt ze, ‘zo zie je nu het veganisme steeds verder oprukken. Ik vind dat een geweldige ontwikkeling. Vroeger werd het ons lastig gemaakt om de stap naar volledig veganistisch leven te maken, omdat er zo weinig keuze was. Tegenwoordig zijn er keuzemogelijkheden te over. Ik ben nu ook zelf vastbesloten de stap te zetten naar veganistisch leven. Er valt nog een hele slag te maken.’

© Schift, november 2014

De geïnterviewde bewoners komen alle voor in de scène waarin De Hokjesman het park bezoekt. Na de uitzending meldden zich tientallen nieuwe bewoners aan voor de wachtlijst. Bekijk hier de hele uitzending over De Dierenvrienden:

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, Stuk, De Hokjesman). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek 'Echo'. In 2018 verscheen zijn bundel 'Motown op legerkistjes'.

één reactie

  1. Reuze bedankt voor deze zorgvuldige en inzichtgevende reportage.
    Hoe je het ook wendt of keert elk organisme leeft ten nadele van andere organismen.
    Als daar bewustzijn van is zal allereerst geprobeerd worden dit zo veel mogelijk in te perken en op zoek te gaan naar bevrijding uit dat in essentie toch parasitaire leven. Er wordt zelfs gesteld dat de materie er is om ons de kans te geven ons daarvan bewust te worden. Zie de Lectorium filosofie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.