De opdracht van Djunga de Biluca


‘Je moet het je zo voorstellen,’ had zijn achterneefje Jorge Lizardo me gezegd, ‘onze Peter Stuyvesant, onze Abel Tasman leeft! En hij woont in een flat in Ommoord in Rotterdam.’

In die flat in de noordwestelijke wijk Ommoord ontmoet ik João Silva, beter bekend als Djunga de Biluca. Nog maar een paar maanden geleden ontving hij op z’n 87e uit handen van een zoon uit een andere migrantengemeenschap, burgemeester Aboutaleb, de zogenoemde Drs. H.H. Horsting-prijs voor zijn bijdrage aan de Rotterdamse samenleving.

Djunga de Biluca (São Vicente, 1929) is een spilfiguur binnen de Kaapverdiaanse gemeenschap. Het was Djunga die de Kaapverdiaanse cultuur veiligstelde vanuit Rotterdam terwijl in zijn moederland de onafhankelijkheidsstrijd woedde, en het was Djunga die iedere landgenoot die in de Maasstad werd binnengesmokkeld de weg wees naar het Heemraadplein. Daar, op het plein van de arme sloebers, het Pracinha d’Quebrôd, waar nog altijd jaarlijks op 23 juni de festiviteiten rond het zonnewendefeest Sao Joao plaatsvinden, was altijd wel iemand te vinden die de nieuwkomer aan werk hielp, of aan een plek in een pension voor Kaapverdiaanse zeelieden op Katendrecht.

Natuurlijk klonk er veel muziek daar bij de prijsuitreiking in het stadhuis, waar de founding father van Kaapverdisch Rotterdam lof werd toegezwaaid. Wie Cabo Verde – een goeddeels onvruchtbare eilandengroep voor de westkust van Afrika, gekoloniseerd door de Portugezen, en eeuwenlang een centrum van slavenhandel – zegt, zegt muziek. Morna-zangeres Dina Medina maakte haar opwachting en haar warme klanken vulden de statige Burgerzaal. Morna is voor Kaapverdië wat fado is voor Portugal en tango voor Argentinië. Het is de Kaapverdiaanse blues, melancholie zoals vervat in het begrip saudade, maar vaak ook dansbaar.

Tijdens het tochtje over de Maas in De Nieuwe Maze, het directieschip van het Havenbedrijf Rotterdam, was er na afloop van alle plechtigheden rond de prijsuitreiking een diner parlant, vanzelfsprekend ook weer opgeluisterd met levende muziek. De haven, de haven! Beter gezegd: daar waar eens de haven was. Nu wandelt de toerist met de Lonely Planet-aanbeveling van Rotterdam als hippe stad er over de Rijnhavenbrug van de Wilhelminapier naar Katendrecht. Eens was dit schiereiland een aaneenschakeling van zeemanskroegen, bordelen en boardinghuizen, waar zeelieden hun tijd doodden in afwachting van hun volgende klus. Nu de daadwerkelijke haven zich verplaatst heeft naar een plek ver buiten de stad heeft de gentrificatie op Katendrecht danig toegeslagen. Maar in de harten van veel Kaapverdianen is Rotterdam, de Eerste en Tweede Maasvlakte en de mechanisering ten spijt, nog altijd een havenstad.

Iedere Cabo weet het je te vertellen: waar een haven is, zijn Kaapverdianen. Tot de grootste Kaapverdische gemeenschappen wereldwijd behoren die in Boston, en in Rotterdam – met zijn pakweg 20.000 Kaapverdianen niet zelden het tiende (of het elfde, afhankelijk van de vraag of je het onbewoonde eiland Branco meetelt) eiland van Cabo Verde genoemd. Veel sterren van de Kaapverdiaanse muziek wonen hier in Rotterdam, had Djunga’s neef Carlos Gonçalves me al eerder uitgelegd, zoals Nelson Freitas – die heeft heel grote hits gescoord – en Dina Medina. ‘Het mooie is dat er hier echt nieuwe Kaapverdiaanse muziekstijlen zijn geboren,’ zei Gonzalves, ‘zoals cabo zouk, en andere stijlen waarin traditionele muziek vermengd werd met merengue uit de Cariben. Heel populair onder Kaapverdianen is kizomba, een dansstijl die oorspronkelijk in Angola is ontstaan. Er is ook ‘caboswing’, zoals van Gil Semedo.’

Rommel

Djunga, vaak liefkozend de godfather van de Cabo-gemeenschap in de Maastad genoemd, is getrouwd met een Nederlandse vrouw, Eva van Dijk-Silva. Ze opent de deur en stelt zich vervolgens stilletjes op de in de voorkamer. Djunga, zegt ze, is een bijnaam die al een leven lang meegaat. ‘Zo heette ik al ver voor ik hier kwam,’ vult hij zelf aan, ‘dat was al op school mijn bijnaam, naar mijn moeder die Maria de Biluca heette. João Silva’s, daar zijn er veel te veel van.’ Neef Carlos Gonçalves, gemeenteraadslid voor de PvdA en gewezen stadsdeelvoorzitter van Delfshaven, arriveert alras, voor de nodige ondersteuning bij de taal want Djunga’s Nederlands wordt weer gebrekkiger naarmate hij ouder wordt. Gebrekkig, maar evenwel vol zinnetjes die dansen, zo blijkt als hij zijn geschiedenis opdist.

‘Ik had rommel in m’n kop,’ zegt hij over zijn jonge jaren in Kaapverdië. ‘Ik was daar geboren, en had nauwelijks rechten, dat wrong natuurlijk. Het ging mis toen ik in militaire dienst was. Ik verzette me tegen het idee dat ik in dat leger onder Portugese vlag mee moest vechten dat het ons volk zo zwaar maakte. Ik betaalde de kapitein van een schip naar Dakar een duit geld. Ik was 19 toen ik voor het eerst naar Nederland reisde, aan boord van een Grieks schip. 1949 was het. Let wel, wij waren geen gastarbeiders hè, er was geen contract, niks, we kwamen als zeelieden. Prachtige mensen vond ik de Rotterdammers, ik wist meteen: als ik hier andere Kaapverdianen aantref, dan blijf ik. Maar ik zag geen Kaapverdianen.’

‘Ik had wel van Nederland gehoord; als kind zag ik wel eens Nederlandse schepen die aanmeerden, met mensen aan boord die ik wel dingen durfde te vragen, anders dan aan de Portugezen. Ik heb geprobeerd hier te blijven, maar het ontbrak me aan de goede papieren. Ik ben toch weer gaan varen, als matroos en later als machinist. Mijn moeder, die op de markt verkocht en analfabeet was, vroeg me om terug te keren, ze had hulp nodig. Dat bracht me in een lastig parket want ik wist dat ik als deserteur zo opgepakt kon worden. Ik ben wel even teruggegaan, maar ik kon het daar gewoonweg niet meer verdragen, ik was echt mentaal in de war. Dit keer was het nog moeilijker om te vertrekken omdat ik nauwelijks geld had, maar het is me gelukt om aan boord van een schip te komen dat aan de andere kant van het eiland aanmeerde. Weer Dakar, daar ben ik een paar maanden gebleven. Toen vertrok er een Panamees schip naar Rotterdam waar ze mij aan boord goed konden gebruiken. Eenmaal in Rotterdam liet de kapitein me niet gaan. Ik was machinist, we lagen in de Maashaven. Naast ons dreef zo’n bootje met iemand die limonade en souvenirs verkocht en wat denk je, het was een Kaapverdiaan! Hij zegt tegen mij: zeg dat je ziek bent, ik ga een dokter voor je zoeken. Dus ik zeg tegen de kapitein: ik heb hevige pijn in m’n maag, ik moet behandeld worden. Ik heb m’n kleren bijeen gepakt en even later lag ik in het havenziekenhuis. Die man, die getrouwd was met een Nederlandse vrouw, moet de eerste Kaapverdiaan hier zijn geweest. De enige andere Kaapverdiaan toen was portier bij het consulaat van Portugal. Met die man heb ik toen de afspraak gemaakt dat hij tegen andere Kaapverdianen die hij in de haven zou zien zou zeggen dat ze me in het ziekenhuis konden vinden. U komt uit Kaapverdië? Ga naar Djunga de Biluca, hij ligt in het ziekenhuis. Ik nam vanaf dat moment de taak op me mensen op weg te helpen hier.’

‘In Nederland moest je een monsterboek hebben. Bij de ‘barakken’, een keet in Delfshaven, op de plek waar nu de GGD zit, kon ik een monsterboek verkrijgen. Mijn eerste Nederlandse vriend was de broer van mijn latere vrouw. Hij was ketelbinkie aan boord, een jochie van veertien dat serveerde en de bedden opmaakte. Hij had problemen, er waren conflicten aan boord en hij was steeds de zondebok. Op zeker moment werd hij afgemonsterd. Ik gaf hem wat geld en hielp ‘m aan de wal. Hij bleef maar zeggen dat hij goed contact had met mij, een Portugees, want dat was ik toen nog in de ogen van de Rotterdammers. Dat bracht heel wat teweeg bij zijn familie, die zich op haar beurt om mij bekommerde. Er kwamen in die tijd langzaam maar zeker meer Kaapverdianen hierheen, altijd als verstekeling aan boord. We vonden ons onderkomen, eerst met ongeveer tien man op een kamer, in de Atjehstraat 10, op Katendrecht, bij de familie van die ketelbink: de familie Van Dijk, die een deel van hun woning aan ons afstond, terwijl ze zelf ook veel kinderen hadden.’

Pension Delta

‘Een ferrybootje naar de stad kostte 5 cent, een bus 10 cent. Als derde machinist kreeg ik 380 gulden per maand. Ik vond Rotterdam fantastisch. Ik kende dat helemaal niet: blanken die ons gewoon vriendelijk bejegenden. Ik was officier op de Halcyon-lijn. Toen de groep Kaapverdianen verder groeide kwam er een pension, pension Delta. Via dat pension kon je in Kaapverdië een voorschot krijgen voor de overtocht.’

‘In 1958 ben ik met Eva getrouwd. De zus van de ketelbink. Dat maakte het mogelijk voor mij de Nederlandse nationaliteit aan te vragen. Ik heb in de jaren die volgden gewerkt op de Verolme-werf en bij Phillips, in Schiedam. Rotterdam was nog heel kaal. De Coolsingel lag nog aan het water, het station was gloednieuw. Er stonden in dat centrum nog twee grote gebouwen overeind: het stadhuis en het postkantoor. De rest lag nog goeddeels plat. Er moest gebouwd worden. Hier, in Ommoord, was het nog één uitgestrekte polder. Het was een gezellige tijd. Van discriminatie merkte ik weinig, ik herinner me nog dat ik later in Zuid-Afrika kwam en niet wist wat ik meemaakte – die aparte rijen voor blanken en zwarten. Wat wij hier in Nederland leerden, bijvoorbeeld op het gebied van vrijheid en democratie, is ook heel goed geweest voor Kaapverdië.’

‘Dan was er de strijd voor onafhankelijkheid. Je moet weten: ik was nogal rebels, in dienst. Een man had tegen onze verzetsleider Amilcar Cabral gezegd: ik ken een man die heel fel is, goed voor de zaak, die moeten we hebben. Cabral stuurde een afgevaardigde naar me toe, in ’62 – hij is professor aan de universiteit in Portugal trouwens. Hij zei: hoe jij denkt over onafhankelijkheid, dat maakt jou een geschikte vertegenwoordiger van onze partij in Europa. Ze zochten iemand die de immigranten overzee de situatie kon uitleggen. Ik werd coördinator. Ik was Cabrals contactpersoon voor Europa. Later kwam er ook zo iemand in Zweden. Zolang de strijd gaande was kon ik niet terug naar Kaapverdië, maar ik kreeg dus een precaire taak: van ’62 tot ’75 was mijn taak om de Kaapverdianen hier bewust te maken van het belang van de onafhankelijkheid. Precair, omdat ook binnen de gemeenschap niet iedereen voor onafhankelijkheid was. Ik begon ook een tijdschrift, Nos Vida – Ons Leven. Het groeide echt uit tot een beweging. Van de partij van Cabral kreeg ik een geloofsbrief, en ik werd hier lid van de PvdA. Ik heb later Cabral verscheidene keren ontmoet. Na mijn jaren bij Verolme en Phillips heb ik aan de Beukelsdijk een Shipstore geopend, een winkel met benodigdheden voor de Kaapverdiaanse gemeenschap. Voor de eerste en tweede generatie. Inmiddels zijn er vier generaties.’

‘Ik vind het normaal wat ik voor mijn land en mijn volk heb gedaan. Ik ben blij dat ik gedaan heb wat ik heb gedaan. De onafhankelijkheid was nodig. Cabral zei tegen mij: tegen de tijd dat wij onafhankelijk worden is onze cultuur verloren. En een volk zonder cultuur is een volk zonder identiteit. Ik kreeg de opdracht om clandestien hier in Nederland de Kaapverdische cultuur in stand te houden. En de cultuur, dat is boven alles de muziek. Ik heb zelf ook teksten voor liedjes geschreven. Veelal strijdbare teksten verpakt in de vorm van liefdesliedjes. Morna is mijn favoriete muzieksoort. Het lied dat ik zelf schreef waarop ik het meest trots ben is Filh De Ninguém (‘zoon van niemand’). Ook zo’n verborgen verhaal, want wat ik bedoelde was: ik ben geen zoon van Portugal. Die platen verkochten voor geen meter natuurlijk, dus ik heb ook zelf veel geld geïnvesteerd. Onder de zeemannen zaten steevast veel veel muzikanten en artiesten, hun kennis en vaardigheden moest ik in stand houden, ik moest die culturele traditie vastleggen. Ik heb ook het eerste liedje van Cesaria Evora opgenomen, die vrij algemeen gezien wordt als de grootste Kaapverdische zangeres uit de geschiedenis. Een vriend had de opname met haar stem op Kaapverdië opgenomen met een cassetterecorder. Ik bracht het naar Phonogram maar het was niet voldoende goed opgenomen. Heb er toch honderd singletjes van laten persen.’

Erfgoed

‘De eerste elpee op mijn label Morabeza Records, Caboverdianos na Holande, verscheen in 1965. Gespeeld door zeelieden op de grote vaart die even aan wal kwamen om voor mij in te spelen, vaak in de Sigro-studio hier vlakbij de Schiekade, en soms ook bij Phonogram in Hilversum. Het Rotterdams Archief wil ze nu heruitgaven als Rotterdams erfgoed. Ik zie het zo: wij hebben indertijd een fruitboom geplant die nu nog steeds veel fruit geeft. Heel rijk ben ik er niet van geworden. Cabral, die agrarisch ingenieur was, stak alles wat hij verdiende in de partijkas en dat verwachtte hij min of meer ook van mij.’

‘De elpees werden mondjesmaat verkocht, ik liet ze persen in oplages van hooguit 1000 exemplaren. Ik betaalde het orkest 6000 gulden, de studio 400 gulden per uur, de geluidstechnicus 200 gulden per uur. Dan waren er nog de fabriekskosten voor het persen. Het waren elpees met een prijs van tien gulden, die ook nog eens niet verkochten. De platen werden wel naar Kaapverdië gesmokkeld, zonder hoes. Het orkest dat op de meeste opnamen speelt is Voce Capeverde, dat zijn de grondleggers geweest. In de jaren 70 ontstonden er allerlei nieuwe stijlen uit. De basis van de Kaapverdiaanse muziek zoals we die nu kennen is echt hier in Rotterdam ontstaan. Waar het in het begin dus om vastleggen en conserveren ging, werd het hier in Rotterdam dus uiteindelijk een broedplaats voor nieuwe stijlen. Die dan vervolgens weer geëxporteerd werden naar Kaapverdië zelf. Dat is eigenlijk tot op de dag van vandaag zo.’

Terwijl de catalogus van Morabeza Records steeds verder uitdijde, scande labelbaas Djunga de Bilicuca voor Cabral mensen die deelnamen aan de onafhankelijkheidsstrijd. ‘Als ik geen lid was van de PvdA, had ik grote problemen gehad,’ zegt Djunga de Biluca, die indertijd de vertegenwoordiger in Nederland was van Cabrals beweging, de PAIGC. ‘Ik bevond me in een gevaarlijke situatie. We vochten immers tegen een land dat samen met Nederland in de NAVO zat.’ Cabral maakte de realisatie van zijn droom zelf niet mee, hij werd in 1973, twee jaar voor de onafhankelijkheid, geliquideerd. Djunga de Biluca werd na de onafhankelijkheid hier in Nederland aangesteld als consul. De memoires die hij schreef na zijn pensionering onder de titel De Ribeira Bote a Rotterdam wachten nog op een Nederlandse vertaling.

‘Ik ben trots,’ zegt hij nu. ‘De gemeenschap heeft zich over het algemeen goed gedragen, we hebben altijd een goede naam gehad als zogenaamde stille migranten. Ik heb respect voor mijn eigen cultuur, maar ook voor die van Rotterdam. Ik voel me meer Rotterdammer dan Nederlander, zoals denk ik alle Kaapverdianen. Ik was dáár 18 jaar, hier 60. Ik heb wel overwogen om me weer permanent in Kaapverdië te vestigen, maar ik zou continu verlangen naar Nederland.’

Neef Carlos, die zo nu en dan aanvult, verklaart en vertaalt, had ik een paar weken eerder al opgezocht in een kamer in het PvdA-bastion op het Stadhuis aan de Coolsingel. ‘Mijn gemeenschap, de Kaapverdiaanse, heeft altijd een aparte positie ingenomen,’ had hij toen gezegd. ‘We worden inderdaad vaak de stille migranten genoemd, vanuit dat beeld: harde werkers, die geen problemen bezorgen. Die problemen waren er natuurlijk wel degelijk – vooral in de jaren 80 en 90, in de geweld- en drugssfeer – maar de jongste generatie doet het over het algemeen goed. De Kaapverdianen zijn mee-geëvolueerd met Rotterdam. Er werkt nu vrijwel geen Rotterdammer meer in de haven, de Kaapverdianen zijn ook veel te vinden in de schoonmaakindustrie. Vroeger woonden de meesten op Katendrecht, nu vooral in West. Kaapverdianen zijn het van oudsher gewend om met heel verschillende mensen om te gaan, maar vormen van oudsher ook een hechte gemeenschap onderling. Er is een eigen voetbalclub, FC Maense, aanvankelijk alleen van Kaapverdianen van het eiland Maio, later van alle Kaapverdianen. Wel is het zo dat het verenigingsleven, vooral door de opkomst van Facebook, langzaam aan het verdwijnen is. Vroeger waren die bestaande structuren echt nodig. Nu zijn de twee grootste bindende factoren nog de religie en de muziek.’

Gespleten

Aan de Nieuwe Binnenweg, in de buurt waar van oudsher de meeste Kaapverdianen wonen, is een winkel gevestigd met simpelweg ‘Cabowinkel’ op de ruit. Deze buurt vormt het hart van de gemeenschap. Het is ruwweg het deel van de Nieuwe Binnenweg vanaf het Heemraadsplein, de zijstraten, plus het verlengde aan de Schiedamseweg tot aan het Marconiplein. Veel mensen struinen over de Binnenweg, of zitten op de bankjes. Er zijn dansverenigingen. Verderop zit coffeeshop Atlantis, in de Vliegerstraat zit de Tavares-studio. Tavares is ook een typische Kaapverdische naam; de groep Tavares  – van de Top 2000-hit Heaven Must Be Missing An Angel – bestond uit Kaapverdianen uit Boston. Dan is er de Scotch Inn, sinds jaar en dag een favoriet Cabo-café, waar iedere vrijdag live Kaapverdische muziek klinkt. De Scotch Inn wordt ook in verscheidene Kaapverdische liederen bezongen, het is zo’n plek waar bijvoorbeeld belangrijke voetbalwedstrijden worden bekeken. Precies hiertegenover zat de ‘Associação’, de organisatie die zich inzette voor de opvang van nieuwkomers, legalisatie, huisvesting, begeleiding enzovoorts. De Associação ondersteunde vanuit Nederland in de eerste helft van de jaren 70 de onafhankelijkheidsstrijd. Na de onafhankelijkheid in 1975 leidde de machtsstrijd in Kaapverdië tot de oprichting in Rotterdam van een nieuwe politieke organisatie, de UCID, een oppositiepartij die zich keerde tegen de PAICV, die sinds de onafhankelijkheid aan de macht was.

In de Scotch Inn tref ik Guy Ramos, freelance cameraman, vader van de voetballer die dezelfde naam draagt, en onder meer voormalig programmeur bij De Doelen. Hij leert me Grogue kennen, de populaire sterke drank van Kaapverdië, en ouri spelen, een favoriet tijdverdrijf, ook in koffiehuizen. Een blufspel met kleine balletjes. Hij legt uit dat de gemeenschap ook een gespleten kant heeft. ‘Meer nog dan het verschil tussen de mensen van de benedenwindse en de bovenwindse eilanden was er altijd een belangrijk verschil tussen de mensen die altijd voor onafhankelijkheid waren geweest en de mensen die meer Portugees-minded waren,’ zegt hij. ‘Bij de oudere generatie zijn nog steeds mensen die zichzelf het liefst ‘Portugees’ noemen.’

De Onze Lieve Vrouwe-klerk aan de Korfmakersstraat, niet ver van het Marconiplein, is ook een Kaapverdisch bastion. Kaapverdianen vormen de grootste groep katholieken in Rotterdam. Ramos: ‘Kaapverdianen zijn rooms-katholiek, maar de meesten geloven nog steeds in animisme en spiritisme. Degenen die niet officieel het spiritisme of het Christelijk Rationalisme belijden zullen het ontkennen, maar toch speelt het op de achtergrond mee. De Christelijk Rationalisten gaan trouwens niet naar de kerk, hun sessies waarbij ze geesten oproepen zijn goedbezocht. Iedereen gaat dan keurig gekleed, in pak. Vooral mensen van de bovenwindse eilanden. Maar ook voor de rooms-katholieke Kaapverdianen geldt dat ze zeer bijgelovig zijn. Als Kaapverdianen elkaar ontmoeten mogen hun handen nooit kruisen, zoals bij vier mensen die elkaar ontmoeten. Dat brengt ongeluk. Het fenomeen ‘afkloppen’ is ook wijd verbreid.’

De lijst taboe-onderwerpen binnen de gemeenschap is even indrukwekkend als vertrouwd; veel Kaapverdianen houden de vuile was graag binnen, zegt Ramos. Waar moet ik aan denken? ‘Casa Tiberias is in ieder geval een bekend opvanghuis voor Kaapverdiaanse vrouwen.’ Een onvermoed taboe-onderwerp, vooral bij mensen van de noordelijke eilanden, is de eigen slaven-achtergrond. Pakweg 90 procent van de gemeenschap is creools, met verschillende tinten, ongeveer 7 procent is Afrikaans-negroïde, en ongeveer 3 procent is blank met blauwe ogen en blonde haren. Ramos: ‘Zo kan het gebeuren dat binnen een Kaapverdisch groepje op een uitgaansavond de ene wel, en de andere niet de discotheek in mag van de uitsmijter.’ Het slavernijverleden wordt miskend, zegt hij,  liever heeft men het over de Kaapverdiaanse droom. Volgens Guy Ramos is zelfs het gedrag waarbij mannen met verschillende vrouwen kinderen hebben maar nooit echt een gezin vormen terug te voeren tot het slavernijverleden: ‘De verantwoordelijkheid als vader was tijdens het slaafse verleden ook nihil: je moest je zo snel mogelijk vermenigvuldigen, daarna kon je weer weg.’

Op vrijdag- of zaterdagmiddag bezoekt hij meestal Tati, de kapper in de Schiedamsestraat die bekend werd als bedenker van het Rotterdamse vette hap-gerecht de ‘kapsalon’. Niet alleen om er geknipt te worden, maar vooral ook om te horen wat er zoal speelt in de gemeenschap. Mannen worden boven geknipt, vrouwen beneden. Nog steeds werken veel Kaapverdianen  – vooral alleenstaande vrouwen, en die zijn er nogal wat –  in de schoonmaak.

Guy: ‘Qua ondernemerschap spelen Kaapverdianen te veel op zeker: het wemelt bijvoorbeeld van de Kaapverdiaanse kapsalons. Wat ik zie is dat Kaapverdiaanse jongeren die eruit breken en hogerop komen ineens met de rug naar de gemeenschap gaan staan. Dan zeggen ze ineens: dat is Cabo, dat wil ik niet meer. Dan assimileren ze ineens. Totdat het misloopt, en ze hun baan weer verliezen. Dan zie je ze vaak naar Kaapverdië vertrekken.’

Een niet-Kaapverdiaan zal op het eerste oog op straat niet goed het onderscheid kunnen maken tussen Kaapverdianen, Surinamers en Antillianen, maar Guy ziet het meteen, zegt hij. ‘Het is de blik. Ik zie het gelijk als je niet kijkt als een Kaapverdiaan. Vooral bij vrouwen.’

Droom

Jorge Lizardo is het achterneefje van Djunga de Biluca. Een bekende figuur in de gemeenschap, een rastafari, ooit deel uitmakend van de reggaegroep The Postmen en nu het gezicht van zijn eigen groep: Delidel-Touch. ‘Ik ben een beetje het gekke neefje van de familie,’ zegt hij zelf als hij zich voorstelt. ‘Rastafari zijn betekent voor mij: deel uitmaken van – en trots zijn op – de pan-Afrikaanse familie.’

De geschiedenis van de Kaapverdische gemeenschap debiteert Lizardo in korte, krachtige statements. De bevolking, benadrukt hij, is ontstaan uit een mix van Portugese kolonisten en Afrikaanse slaven. Hoewel Portugees de officiële taal is spreken de meeste mensen ook een variant van het Crioulo (Kaapverdisch Creools), een mengtaal van Portugees en Afrikaanse talen. Het dialect verschilt per eiland maar iedereen kan elkaar verstaan. Kaapverdië is arm, de werkloosheid is hoog, en de afhankelijkheid van (geld van) overzeese migranten en ontwikkelingshulp groot. Waar Angola en Mozambique delfstoffen hadden, was Kaapverdië tot 1880 weinig meer dan een slavenmarkt. Hij komt voort, vertelt Jorge Lizardo, uit een mengelmoes van Sefardische joden en geslaagde Afrikanen. Hij noemt de Kaapverdianen die in de jaren 50 vanuit de creoolnatie naar Rotterdam kwamen de eerste echte gelukszoekers, en eigenlijk ook vluchtelingen, en benadrukt graag dat die zeelieden noch gastarbeiders waren noch inwoners van Nederlandse koloniën. Ze werden ook niet actief door reders geworven, zoals met veel Chinezen in de eerste helft van de eeuw wel het geval was.

Zijn precieze relatie tot Djunga? ‘Mijn oma en Djunga’s zus zijn tweelingzussen.’ Djunga – hij spreekt over ‘oom Djunga’ – noemt hij vol eerbied ‘onze Peter Stuyvesant, onze Abel Tasman’. ‘Ik heilig hem’ zegt hij. ‘Hij was misschien niet de aller-, allereerste hier, maar wel degene die de kiem legde voor de gemeenschap. Hij was bank, regelneef, platenbaas, en de ronselaar van Cabral. Een spreekbuis van de Kaapverdiaanse gemeenschap, die uit Kaapverdië gevluchte artiesten naar Rotterdam haalde om hier platen op te nemen. En dan had hij ook nog de shipping store aan de Beukelsdijk met scheepskledij. Djunga beïnvloedde mijn ouders zeer, hij ronselde ze voor de partij en ze werden actief in de strijd tegen het bewind van Salazar. Cabral was thuis de held. Voor mij zelf kwam daar later Haile Selassie bij.’

De Kaapverdiaanse droom is: als pensionado terugkeren met voldoende geld om een huis met een zwembad op de eilanden te kopen. ‘Of het er voor mij in zit weet ik niet. Ik ben nu 46. In ’74 ben ik voor het eerst naar Kaapverdië geweest, sindsdien vrijwel jaarlijks. Ik kom uit een familie van patriotten. Ik leerde de bandera hijsen.’

De platenmaatschappij van ‘oom Djunga’, Morabeza Records, was de spreekbuis. Lizardo: ‘Het was belangrijk om te laten zien: wij zijn geen zwarte Portugezen, we hebben onze eigen cultuur. Ik zie Morabeza Records in retrospectief als ons ministerie van cultuur in ballingschap. De discografie van de Kaapverdiaanse muziek begint in Nederland. Van de grootste Kaapverdiaanse artiesten, inclusief Bana en Cesaria Evora, is de carrière in Rotterdam begonnen. Al moet ik er bij zeggen dat veel opnames ook in Hilversum plaatsvonden. Wist je trouwens dat Djunga ervoor zorgde ervoor dat Bana toen hij in Nederland woonde bij de Van Nelle-fabriek kon gaan werken?’

Lizardo typeert de Kaapverdianen als ‘hardwerkende mensen, die low key leven. In het straatbeeld worden we gezien als Surinamers, dat wringt soms wel, omdat we onze eigen geschiedenis en cultuur hebben en geen Nederlandse kolonie waren. Tegelijkertijd voel ik me verwant met creoolse Surinamers en Antillianen. De positie van veel Kaapverdianen kan zeker nog verbeterd. Nog steeds werken veel Kaapverdiaanse vrouwen in de schoonmaakindustrie, al is er ook veel werkloosheid. Slechts mondjesmaat schiet iemand door in andere sectoren. De eerste potentiële Kaapverdiaanse minister was Varela van de LPF, die misschien geen goed politicus was maar van wie ik het ook zeer onterecht vind dat hij direct na de moord op Fortuyn door de rest aan de kant werd geschoven.’

Lizardo zou nog eens graag een vervolg zou willen maken op de documentaire Het gaat niet goed met mij van Roeland Kerbosch (1975), waarin de maker indertijd in het kielzog van Prins Claus en Djunga naar Kaapverdië reisde. ‘Ik zou veertig jaar na dato zo graag laten zien wat een succesverhaal het is geworden, ondanks dat ze er geen goud en diamanten hebben! Er is nu zoveel aandacht voor veertig jaar onafhankelijkheid van Suriname, je hoort niemand over Kaapverdië.’

Hij wijst erop dat het nog steeds ingewikkeld is om instanties te interesseren voor de Kaapverdiaanse cultuur. De platenmaatschappij, Morabeza, heeft schulden. ‘Daarom doet Djunga nu zijn best het tot cultureel erfgoed te laten maken, zodat hij zijn kinderen straks niet met die schulden opzadelt.’

Cultureel erfgoed van Rotterdam, that is. ‘Ik heb kinderen met vier verschillende vrouwen, Surinaamse en Antilliaanse, en heb ook in Curaçao en Suriname gewoond. De meeste wonen in Rotterdam, maar ik heb ook een baby en vrouw in Diemen. In elk stadje een schatje, weet je wel. Maar Rotterdam blijft de stad. De meeste Kaapverdianen hebben niks met Nederland maar alles met Rotterdam. Als ze zeggen ‘Ik ben naar Amsterdam geweest’ betekent dat dat ze op Schiphol het vliegtuig naar Kaapverdië hebben genomen. Rotterdam is misschien wel de stad waarover het meest gezongen wordt in Kaapverdische muziek, met Lissabon op een tweede plaats. Een bekend lied is Cartinha d’Hollande, een briefje uit Holland. Vooral in de uitvoering van Tito Paris. Mar mar, Roterdão mês de frio. Weet je, in mijn babyflesje zat Maaswater. Dat kan Aboutaleb niet zeggen.’

© Schift, juni 2016

Dit artikel is gebaseerd op research voor de slotuitzending van De Hokjesman over De Rotterdammers, waarin Djunga de Biluca is te zien. De uitzending is hier terug te vinden.

 

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur en researcher verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman, De IJzeren Eeuw). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek Echo.

8 Comments

  1. Jeffrey Silva
    7 juni 2016
    Reply

    Mooi geschreven stuk!

  2. Luisa
    8 juni 2016
    Reply

    Geweldig! In één adem uitgelezen!
    Mooi geschreven

  3. 9 juni 2016
    Reply

    Nice.. Klopt inderdaad we zijn geen Nederlanders wel ROTTERDAMMERS.

  4. Marlene
    9 juni 2016
    Reply

    Mooi om te lezen. Trots ook! Niet alleen als Cabo maar ook als Rotterdammer.

  5. Sonia Andrade
    9 juni 2016
    Reply

    Ik wil nog meer lezen!! Heerlijk 🙂

  6. Nuno Lopes
    9 juni 2016
    Reply

    Interessant artikel!

  7. David Delgado Fortes
    10 juni 2016
    Reply

    Mooi stukje Nederlands Kaapverdiaanse geschiedenis !!!! Hoe je door een paar mensen een heel gemeenschap opbouwt.
    Bless!!

  8. Henk van Gameren
    2 februari 2017
    Reply

    Een heel verhelderend artikel over een onderwerp waar ik eigenlijk (nog) niet zo veel van wist. Ik ben een enorme muziekliefhebber en aan mijn verzameling zijn inmiddels heel wat Kaap Verdiaanse cd’s toegevoegd. Een goede bron voor muziek is natuurlijk de Centrale Discotheek (Muziekweb) in Rotterdam, want zij beschikken over een geweldige collectie Kaap Verdiaanse cd’s.Ik heb grote waardering voor Jantje Steenhuis van Stadsarchief Rotterdam, die in samenwerking met de heer João Silva, de oprichter en beheerder van Morabeza Records, de gehele collectie van Morabeza Records heeft gedigitaliseerd om deze voor komende generaties in zowel Nederland als op Cabo Verde veilig te stellen. Gisteravond vond in Lantaren Venster de officiele overdracht van de collectie plaats en er werd een mooie documentaire over de heer João Silva vertoond. Na vertoon van de documentaire werd er door een groep heel bekwame muzikanten en vier zangeressen een geweldig muzikaal slot aan een heel gedenkwaardige avond gegeven. Ik heb sinds gisteravond Cabo Verde definitief in mijn hart gesloten.Als Rotterdammer ben ik trots op de Kaap Verdiaanse gemeenschap,in Rotterdam, want zij levert een zeer positieve bijdrage aan onze mooie stad. Hulde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.