De afdrukken van ellebogen in haar dijen

In de krant las ik nog niet zo lang geleden dat Els Hupkes was overleden. Els Hupkes was de vrouw van Ferdi E., de man die de geschiedenis in ging als de ontvoerder en moordenaar van zakenman Gerrit Jan Heijn. Ik herinnerde me dat ik haar ontmoette vlak nadat ze haar boek De kleine Britt had gepubliceerd. Ze kreeg in die tijd het verwijt dat ze door een boek te publiceren munt sloeg uit de moord, die toen dertien jaar eerder had plaatsgevonden. Ik vond het een weliswaar niet zo denderend maar wel heel moedig boek. Het verhaal van dat gezin E. had me altijd al gefascineerd. Stel je voor: je zit samen met je man of met je vader naar het journaal te kijken dat opent met een zeer gewelddadige ontvoering. De afperser die gezocht wordt blijkt enige tijd later jouw man of vader te zijn, die liefdevolle figuur naast je. Niets wees daar al die tijd op. In het vriesvak ligt een pink.

Ferdi E. was een werkloos ingenieur, hoogbegaafd, en – in de woorden van de rechter – ambitieus en zeer ijdel. Sinds een banenproject hem door drie collega’s werd ontnomen verkeerde hij in financiële problemen. Hoe precies wist hij nog niet, maar zeker was dat hij wraak wilde nemen. En dat hij daarvoor geld nodig had. Heel veel geld. Zijn vrouw Els wist natuurlijk wel dat hij niet lekker in z’n vel zat, maar had geen idee van de plannen die steeds meer bezit van hem namen. Haar boek beschrijft die andere overval: die op haar gezin, dat langzaam verwoest wordt als bekend wordt wat hij heeft uitgespookt. De aanhoudende nachtmerries van de dochter, de heroïneverslaving van de zoon. Wat me frappeerde is dat Els Hupkes ondanks alles bij Ferdi E. bleef, tot aan zijn dood. In haar boek heet hij Dickie – geen pseudoniem dat je je hoofdpersoon geeft als je met hem wil afrekenen.

Ergens tegen het eind noteert ze: ‘Op 9 september 1987 pleegde Dickie een moord en ik zoek in mijn dagboek naar aanwijzingen, het is om gek van te worden – niets over wat er onder mijn ogen plaatsvond. Ik kan me die nazomer herinneren. Of zijn het andere nazomers? De achterdeur van mijn atelier stond wijd open, de lucht rook naar hooi, vliegen gonsden tegen de ruiten en in het weiland achter mijn atelier stonden schapen te dromen in de septemberzon. Als ik mijn aantekeningen overlees, krijg ik een gevoel van ongemak en frustratie. Ik verbeeld me te weten hoe Lodewijk XVI zich gevoeld moet hebben toen het tot hem doordrong dat de grote opstand was uitgebroken. Hij schijnt op de eerste dag van de Franse Revolutie in zijn dagboek opgetekend te hebben: Vandaag gejaagd. Niets gevangen.’

Zonder dat zij het in de gaten had was bij haar man de totale opstand uitgebroken. In het diepste geheim, zonder haar erin te betrekken, had hij alles beraamd, minutieus voorbereid, schijnbaar gewetenloos en koelbloedig. En toch, hoe groot de ravage ook is die hij aanricht, blijft ze naast hem staan. Tijdens het proces, tijdens zijn detentie, en tijdens de acht jaar die hem nog restten na zijn ontslag uit de gevangenis. ‘De hele wereld veroordeelde Ferdi, de hele wereld viel over hem heen. Ik sprong ertussen.’ Die loyaliteit is fascinerend. Ze schreef zelfs dat ze trots op hem was. ‘Het is heel riskant om het zo op te schrijven,’ vertelde ze later in NRC, ‘want het klinkt onbegrijpelijk als je het zo isoleert. Ik zat bij de psychiater. Die vraag kwam aan als een klap in mijn gezicht, maar ik zat daar niet om mezelf te verstoppen. Ik moest toegeven dat trots een onderdeeltje was van wat ik voelde. Ik was er alleen trots op dat hij een daad had gesteld om zichzelf lucht te geven, niet om hoe hij dat had gedaan. Integendeel, ik vond het verschrikkelijk. Maar hij had een levenslang keurslijf doorbroken. Het was voor mij op een bepaalde manier ook een bevrijding. Het gaf lucht dat we gescheiden raakten. De jaren ervoor waren rampzalig. Er klopte iets niet in ons gezin. Het was voor iedereen duidelijk dat Ferdi overspannen was. Ik voelde het ook niet als verraad. Het was voor hem een overlevingsactie. Hoe erg het ook is wat hij heeft gedaan, voor onze relatie was het niet slecht. We zaten in patronen waar we machteloos in waren.’

We zaten in patronen waar we machteloos in waren. Het is een zin die ieder stel dat een relatiecrisis doormaakt waarschijnlijk kan navoelen. Het gaat er vaak niet om dat mensen op elkaar uitgekeken raken, maar dat ze tegen muren oplopen die het verhaal zoals ze dat voor zich hadden uitgestippeld onmogelijk maken. Haast ongemerkt heeft zich met het verstrijken van de jaren een net om de ambities en de dromen gespannen. Eens in de zoveel tijd staat er een schrijver of een filmmaker op die precies dat weet te verwoorden of te verbeelden. Wat me in al die huwelijksromans en films zo aantrekt weet ik ook niet precies. Ongetwijfeld speelt herkenning een rol. Ik doe ze waarschijnlijk geen recht, maar het verhaal dat ik heb gevormd over het huwelijk van mijn ouders gaat ook over de beloftes die niet worden ingelost, over magere jaren die de vette opvolgen, en over de vraag wat uiteindelijk de huwelijkse loyaliteit vermag als het erop aankomt. Het ontslag van mijn vader, ergens in z’n vroege veertiger jaren, luidde een lange grauwe periode in waaraan pas een eind kwam toen de kinderen al lang en breed het huis uit waren. En hoewel het gelukkig volstrekt onschuldig was vergeleken bij de misdaden die Ferdi E. beging, deed hij in een latere fase van zijn leven ook iets dat niet door de beugel kon. Hij kreeg het zwaar voor z’n kiezen maar mijn moeder bleef achter hem staan. Wat ze echt dacht en vond weet ik eigenlijk niet. En, dement als ze is, kan ik er haar nu niet meer naar vragen. De loyaliteit tussen echtelieden is een goudmijn voor de literatuur, een schatkist vol mededogen. Je vergaloppeert je er snel aan, maar soms lukt het iemand om naar het hoogste te reiken. Zoals nu de Ierse auteur Bernard MacLaverty.

Kwaaltjesuur

In Midwinter Break, zijn eerste boek in zestien jaar, maken we kennis met een ouder Iers echtpaar dat een lang weekend Amsterdam heeft geboekt. Bernard MacLaverty maakt met ragfijne details duidelijk hoezeer ze met elkaar vergroeid zijn. Al die kleine rituelen, de onuitgesproken regels. De vaste kus in een lege lift, tussen de verdiepingen. De uitgestoken hand zodra een drukke verkeersweg overgestoken moet worden. Het Kwaaltjesuur dat ze heeft ingesteld om te voorkomen dat ze langer dan zestig minuten per dag over lichamelijke kwalen delibereren. ‘Pijntje hier, pijntje daar. PHPD,’ zou mijn moeder zeggen, maar sinds ze Alzheimer heeft heb ik haar over geen van al die kwaaltjes meer gehoord.

Ergens, ongemerkt, is de terugtocht ingezet. Gerry en Stella Gilmore zijn oud geworden. Je ziet het aan de voorzichtigheid waarmee hij in het blad klimt om te douchen als hij ziet dat er geen matje in ligt. Je ziet het aan de blik waarmee ze naar jonge mensen kijken, naar het jonge stel dat slalommend voor de tram uit over straat fietst, in een moment waarop de stad weer het decor lijkt uit die beroemde scène uit Turks Fruit. Aan het traanvocht dat geheid in zijn ogen komt zodra een harde wind opsteekt. Aan de reeks gebeurtenissen die ooit van levensbelang leken, maar nu weinig betekenis meer hebben.

Zij liet haar op zestigste alsnog gaatjes in haar oren maken omdat het haar zo’n autonoom gevoel gaf. Hij schenkt zich graag een glas whiskey in zodat hij zich een beetje Frank Sinatra voelt. Als ze het met elkaar hebben gedaan en het lampje aangaat wijst zij hem op de afdruk die zijn horloge op zijn arm heeft nagelaten. Alles lijkt pais en vree maar natuurlijk smeult het. Herinneringen uit het verleden dringen zich aan hen op. Herinneringen die ze maar wat graag daar willen laten, in dat verleden. Gewelddadigheden uit de tijd van The Troubles. Sinds Belfast neemt hij altijd een stoel met zicht op de deur. Maar met name Stella heeft van meer last dan van hardnekkige herinneringen. ‘I find I’m at a loose end,’ vertrouwt ze hem uiteindelijk toe. ‘Aimless. There is no role for me’. Hij weet daar niet zo goed raad mee, het gesprek verglijdt maar keert onherroepelijk terug, in nog minder mis te verstane bewoordingen. ‘The family is raised – the work is done. That can’t be it, can it? We’ve cut the cloth of our lives wrongly. It doesn’t fit. I have, at least – but I don’t know about you.’

Hoewel ze voortdurend liefdevol naar elkaar blijven weet Gerry niet goed wat hij met de situatie moet aanvangen. Hij verliest zich, als gewoonlijk, in drank. Stella blijkt naar Amsterdam gekomen te zijn met een heel concreet doel. Jaren geleden, tijdens haar vorige bezoek aan de stad, had ze zich vergaapt aan het Begijnhof en nu wil ze er informeren naar de mogelijkheid om zich daar aan een religieus leven te wijden. Ineens komen we te weten waar haar verlangen vandaan komt om iets mee te maken, iets te ondernemen dat groter is dan zijzelf. Het is iets waar zelfs haar man geen weet van heeft. Ze heeft, vindt ze, nog een schuld af te lossen. Een belofte die ze deed toen ze hoogzwanger was en bij gewelddadigheden in Ierland in haar buik werd geschoten. Als mijn kind overleeft wijd ik mijn leven aan u, had ze besloten terwijl ze daar gewond op de grond lag. En hoewel het leven van haar eniggeboren kind gespaard werd, heeft ze zich niet aan de gelofte gehouden. Haar zoon woont allang ver weg, in Canada. Ze heeft een kleinzoon, maar die ziet ze door die enorme afstand zelden.

Ze had zich op het lege nest voorbereid, maar niet op zó’n leeg nest.

Gerry is een architect, als kind al gegrepen door geometrie. Natuurlijk is hij een architect. ‘If it was about anything, architecture was about shedding light,’ realiseert hij zich. Het is waarschijnlijk niet voor niets dat ook James Salter in Light Years, mijn favoriete huwelijksroman, een man opvoert die architect is. Het licht kan op een muur vallen, op een boom, op de vloer, maar ook op een huwelijk, op een levensloop. Zowel Gerry in Midwinter Break als Viri in Light Years realiseren zich dat ze in hun vak niet tot de eredivisie behoren. Wat had hij graag geroken aan de roem. Maar het enige waarop hij zich echt kon beroepen was kennis, kunde. ‘Maar kennis,’ schrijft Salter, ‘biedt geen bescherming. Het leven kijkt neer op kennis; het dwingt kennis om te antichambreren, om buiten te wachten. Passie, energie, leugens: dat zijn dingen die het leven bewondert. Toch valt alles te verdragen als de mensheid toekijkt. De martelaren bewijzen het. We leven in de aandacht van anderen. We keren ons ernaartoe als bloemen naar de zon.’ Stella kijkt evenmin met voldoening terug. Ze stond voor de klas maar als ze opsomt wat ze haar leven lang heeft gedaan zijn het de dagelijkse huishoudelijke beslommeringen. ‘Nothing remains of it,’ citeert ze Virginia Woolf. Een waardevoller leven wil ze, een leven dat zowel spiritueel is als zinvol. Nuttig.

Wanneer ze zich realiseert dat ze ‘te oud’ is om zich aan zo’n religieus leven te wijden, te oud in wezen om haar schuld in te lossen, neemt ze zich voor om bij haar man weg te gaan. Alsof ze hoe dan ook een daad moet stellen. Zoals Gerry doet denken aan Viri, de man in Light Years, roept Stella hier herinneringen op diens vrouw Nedra. Net als Nedra worstelt ze met wat haar schrijver noemt ‘de moed om te leven wanneer je beste tijd voorbij is’.

Eiwit

Je kunt Midwinter Break lezen als een meditatie over ouder worden en vergankelijkheid, maar schrijver MacLaverty hoopt dat het vooral een aansporing is om je eigen leven en relatie te onderzoeken. De leeftijd van de personages is in wezen van ondergeschikt belang. ‘Ik heb onlangs een boek gelezen, My Name is Lucy Barton van Elizabeth Strout,’ zei de schrijver onlangs in The Belfast Telegraph. ‘Een van de karakters in dat boek zegt dat het haar taak is om verslag te doen van de menselijke conditie; om ons te vertellen wie we zijn. Ik denk dat dat een zeer precieze en briljante samenvatting is van wat een goede schrijver doet.’ En tegen iedereen die zich goed kan verplaatsen in de situatie van Gerry en Stella: ‘The elements of the past in a marriage; what was said 40 years ago, you fold it in, like egg white. Away from the routine, railing against the silence at home, they have to talk to each other.’ Dus wat doet de schrijver? Hij stuurt zijn personages op vakantie. MacLaverty zegt dat hij dat al verscheidene keren heeft gedaan, ook in korte verhalen. Werkt altijd.

Literatuur die uiterst kalm en gedetailleerd personages toont die worstelen met de vraag hoe te leven, daar kan geen zelfhulpboek tegenop.

Bernard MacLaverty

In een van de mooiste passages in zijn boek beschrijft MacLaverty hoe Stella zich opsluit in een van de dameswc’s in het incheckgebied op de luchthaven. De vlucht heeft vertraging opgelopen, wat heet, het ziet ernaar uit dat ze moeten overnachten op de stoelen in dat niemandsland. De tranen komen in stilte, opdat de bezoekers in de belendende hokjes haar niet horen. Hoe lang ze er precies zit komen we niet te weten, maar het is lang genoeg voor haar om haar leven te overzien. Als ze uiteindelijk maar weer een stuk wc-papier heeft gepakt om haar neus te snuiten vallen haar twee rode vlekken op in haar dijen. Haar gedachten schieten alle kanten op, ze denkt aan de rode wangen van een pop die ze als kind had, maar vraagt zich ook een split second af of ze misschien een enge ziekte heeft opgelopen. En dan realiseert ze zich wat het zijn. Het zijn gewoon de afdrukken van haar ellebogen, ze staan in haar dijen omdat ze haar hoofd op haar handen liet leunen toen ze zat te huilen.

Het zijn dat soort schijnbaar onbeduidende details waarmee MacLaverty raak schiet. Het verbaast dan allang niet meer dat Stella van haar wens om het roer totaal om te gooien af zal zien. Op voorwaarde dat hij stopt met drinken, dat wel. En het allermooiste is misschien nog wel de manier waarop de schrijver laat zien hoezeer het tweetal nog altijd verstrengeld is, volledig verweven met elkaar. Want hoewel we ervan uitgaan dat zij zich tevreden voelt, beleven we dat slot niet met haar, maar met hem. ‘He believed that everything and everybody in the world was worthy of notice but this person beside him was something beyond that. If she was an instance of the goodness in this world then passing through by her side was miracle enough.’

Van dat wonder moet Ferdi E. ook deelgenoot zijn geweest. Na de dood van haar man schreef Els Hupkes in 2009 aan haar vriend Tim Krabbé: ‘Ik loop maar te piekeren over de ballast die Ferdi van jongs af aan heeft meegetorst. Ik hield zoveel van die man.’ Tijdens haar crematie vergeleek Krabbé haar leven met een woeste bergstroom met stroomversnellingen en watervallen. ‘Ik doe al mijn hele leven mijn best om een kabbelend beekje te worden’, had ze hem geschreven.

Ook dat brengt het ongeëvenaarde Light Years in herinnering. Het hele boek door lieten we ons meestromen op de rivier, in de slotpassage kijkt de hoofdpersoon, de middelmatige architect, vanaf de oever naar de rivier die aan hem voorbij trekt. Hij loopt naar de rivier, en bereikt de waterkant. ‘Daar is de steiger,’ schrijft Salter dan, ‘ongebruikt nu, met zijn bladderende verf en rotte planken, zijn paalwerk gedrenkt in groen. Hier aan de grote, donkere rivier, hier aan de oever. Het gebeurt in een oogwenk. Het is allemaal een lange dag, een eindeloze middag, vrienden gaan weg, we staan op de oever.’  Daar op de oever heeft hij voor het eerst het gevoel dat hij gereed is. Waarvoor hij precies gereed is, dat laat de schrijver aan de lezer.

Aan diezelfde oever nu staan Gerry en Stella, ook al hangen ze vooralsnog daarboven in de lucht, in het vliegtuig op weg terug naar huis. Kijk, daar gaan ze. Ze houden zich aan elkaar vast.

© Schift, september 2017

 

Midwinter Break van Bernard MacLaverty verscheen bij Jonathan Cape. Import via Van Ditmar.

Share Button
MAARTEN SLAGBOOM Geschreven door:

Maarten Slagboom is journalist en als eindredacteur en researcher verbonden aan de VPRO-tv (Made in Europe, De Hokjesman, De IJzeren Eeuw). Hij werkte voor Radio 1 en publiceerde in onder meer het Utrechts Nieuwsblad, Humo en NRC Handelsblad. Bij uitgeverij Atlas-Contact verscheen zijn boek Echo.

één reactie

  1. 29 september 2017
    Reply

    He Maarten. Wat schrijf je mooi. Ga het boek lezen! Nog eens koffie?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.